‘’Je moet kunnen omgaan met onmacht, anders ga je kapot aan dit werk’’

Iris Boelens, 9 januari 2020

Foto ter illustratie: Pixabay

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gebleken dat Nederland maar liefst 39 duizend daklozen heeft, een verdubbeling ten opzichte van 2009.  Dak- en thuislozen kampen vaak met psychische problemen: ongeveer de helft had recent voor instroom op de daklozenregistraties een psychische aandoening. Bij Inloophuis ’t Hemeltje kunnen dak- en thuislozen eventjes ontsnappen aan de wereld van de straat. Marlies de Weijs is coördinator van ’t Hemeltje en vertelt over haar mooie, maar ook heftige ervaringen in het inloophuis.

‘’Voor ’t Hemeltje had ik een enorme commerciële baan. Targets halen was de normaalste zaak van de wereld. Ik kende een paar vrijwilligers van het inloophuis en ik besloot als ik wat tijd had, om te kijken of het bij me past. Zes jaar geleden ben ik hier begonnen en ik ben nu al 2,5 jaar coördinator van dit inloophuis. Ik stapte in een wereld waar het niemand iets scheelde als ik mijn targets niet haalde of welke kleding ik droeg. Ik kwam als Marlies en dat was genoeg. Dat vond ik zo ontzettend mooi dat ik zeker vier jaar als vrijwilliger heb gewerkt.

Toen kwam het belletje met de vraag of ik coördinator van het inloophuis wil worden. Daar had ik in het begin toch mijn twijfels bij. Ik heb daar toch geen verstand van? Ik ben geen hulpverlener en ik ben er niet voor gekwalificeerd. Toch maakte dat niet uit. De organisatie zei juist tegen mij: ‘’Marlies, daarom moet je het juist doen. De mensen kennen jou en de gasten geven jou de ruimte om hen te helpen.’ Ik heb toen mijn commerciële baan opgezegd en ik ging het maar eens proberen.

De deur gaat dicht

Bang ben ik in het inloophuis nooit geweest, maar een paar maanden geleden ben ik flink in mijn gezicht geslagen door een dronken dakloze. Daar ben ik flink van geschrokken. Toen dacht ik bij mezelf: of ik blijf bang en ik stop met werken -want bang zijn kan hier niet- Óf ik geef het een plekje. Dat is gelukkig gebeurt, maar dat wist ik van tevoren ook niet. Één dag later werd er brand gesticht en moesten we voor enkele dagen sluiten. De gasten waren natuurlijk boos. Wie haalt het namelijk in zijn hoofd om dit te doen? Toch weten we dat de brandstichter dit uit wanhoop heeft gedaan. Hij heeft al zoveel meldingen gedaan en had ook hulp nodig. Zo hoorde hij stemmen in zijn hoofd. De gezondheidszorg is zo erg wegbezuinigd dat deze mensen nergens naartoe kunnen. Hij moest de brand stichten om dat voor elkaar te krijgen. Dat gaf voor ons een gevoel mee: is het goed wat hij heeft gedaan? Het geeft meteen aan wat wanhopige mensen doen om hulp te krijgen. We kunnen er begrip voor hebben en zien hem als slachtoffer. Het was fijn om te weten dat het niet agressief gericht was. Alsnog ben je even van slag. We hebben altijd de voordeur open gehad zodat iedereen kon ‘inlopen’, dat kan nu niet meer. We hebben na die tijd gezegd: we doen de deur dicht.

 

’Het is niet de vraag óf, maar wanneer iemand doodgaat’’

 

Ik merk dat er steeds meer verwarde mensen komen op straat. Mensen in crisis kan je geen plek geven en dat is heel zorgelijk. Ik belde op een woensdag voor iemand die suïcidale gedachten had en diegene kon pas maandag terecht. Die paar dagen voelen dan heel erg lang. Op dat moment ben je toch machteloos. Verder gaan gasten dood op straat. Je moet hier kunnen omgaan met onmacht, anders ga je kapot aan dit werk. We hadden een Poolse gast die werd geopereerd en een stoma kreeg. Dat werkt natuurlijk niet op straat. Zo iemand gaat dood. We hebben ook gasten waarvan we al meteen weten: het is niet de vraag óf, maar wanneer diegene dood gaat. Dat hoort bij het leven op straat. Soms kan je boos worden; hoe kan het toch dat dit gebeurt? Het is de realiteit en daar moet je mee omgaan.

Een rauwe wereld

Ik ben nog steeds even enthousiast, maar het is toch wel veranderd. Ik was vroeger een stuk naïever. Als coördinator leer je veel over die mensen. Je leert hun achtergronden en dat is soms enorm heftig. Het is een enorme rauwe wereld. Het zijn mensen die nergens passen in de wereld, mensen die veel kwijt zijn. Sommigen zijn verslaafd, anderen zijn in een slechte omgeving opgegroeid. Als je met ze praat en je ze leert kennen kan het je enorm raken. Dan kom je bijvoorbeeld in gesprek met een man die een dubbele moord heeft gepleegd en probeert zijn leven weer op te bouwen. Je komt verder mensen van de straat tegen, prostituees. Eentje is moeder van vier kinderen die door de pleegzorg zijn opgenomen. En ik doe de deur van het inloophuis om half vijf dicht, ik stap in mijn auto en ik rij naar huis, weer naar mijn eigen wereld.

Een luisterend oor

Dit is een van de enige plekken in Eindhoven waar deze mensen eventjes zichzelf kunnen zijn. Je kan hier douchen, de was doen, maar wij doen niets aan hulpverlening. Het is echt een verschil met andere inloophuizen waar dak- en thuislozen worden begeleid. Daar wordt het echt gericht op hulpverlening.  Wij doen eigenlijk niks. Vanuit dat niks gebeurt heel veel. Dat is het mooie aan het werk. Mensen kunnen bij ons altijd terecht, wij bieden een luisterend oor. Soms hebben we budget om mensen financieel uit te problemen te redden. Als mensen niet willen praten? Dat is prima. Ik hoef ze niet te beoordelen.

 

‘’Ik moet ook weer naar huis, naar mijn eigen wereldje gaan’’

 

Afgelopen jaar zijn we heel druk geweest met een Pools meisje dat met haar vriendje sliep in de bossen van Veldhoven. Zij was zwanger. Dan ga je samen naar de verloskundige en regelen dat ze in het ziekenhuis kan bevallen. We maken dan ook mee dat het kindje wordt weggenomen. Die gebeurtenissen raken je alsnog, maar het mag je leven niet beïnvloeden. Veel vrijwilligers hebben er toch last van, maar dan ben je niet op de juiste plek. Ik heb een gezin, vijf kinderen, een leuk sociaal leven: dat is mijn wereld. Je kan er niet doorheen zitten, daarmee kan ik de gasten ook niet helpen. Ik kan heel goed mensen aanhoren en meehuilen. Het geeft me een super goed gevoel als ik iemands levensverhaal mag horen, dat kan mijn dag helemaal goed maken. Of een gast die een knuffel komt halen. Maar ik moet ook weer naar huis, naar mijn eigen wereldje gaan.’’