‘Als ik alles over mocht doen, zou ik hetzelfde hebben gedaan’

In 1890 begon de overgrootvader van Kees-Jan van Dongen (52) een vlasboerderij in Scharendijke. De rest is letterlijk en figuurlijk geschiedenis. Ruim 125 jaar later is het familiebedrijf in handen van zijn achterkleinzoon en blijft de zaak zich ontwikkelen.

“Van Dongen Tweewielers heeft een rijk verleden. Nadat mijn overgrootvader in 1890 een vlasboerderij begon, startte mijn grootvader er in 1914 een smederij. In die tijd ging hij rijwielen verkopen en repareren, rijden met taxi’s, was hij bezig met grof en fijn smeedwerk en runde hij een benzinepomp. Daarbij ging hij huishoudelijke artikelen verkopen. Hierna werd de smederij overgenomen door zijn drie zoons die zich gingen specialiseren: de ene ging sleutelen aan buitenboordmotoren, de ander ging rijden met de taxi en de derde ging fietsen repareren. In het nageslacht van de drie zoons zat er slechts één zoon: dat was ik. Voor mijn algemene ontwikkeling is het goed geweest dat ik van alles wat heb meegekregen. Van het werk met de buitenboordmotoren leer je bijvoorbeeld goed te sleutelen en krijg je technisch inzicht. Echter focus ik mij met Van Dongen Tweewielers op het repareren, het onderhouden, het verkopen en het verhuren van fietsen.

Als kind had ik niet verwacht dat ik de zaak over zou nemen, omdat ik aanvankelijk politieagent wilde worden. Later voelde ik lichtelijke dwang dat ik de zaak over moest nemen. Dat werd niet uitgesproken, maar het werd wel verwacht. Uiteindelijk ben ik gaan werken in het bedrijf en ben ik in 1991 in de firma toegetreden. Dat vond ik prima want ik wilde graag thuis, in mijn dorp, blijven wonen. Ook wist ik van mezelf dat ik ondernemer moest worden want ik denk niet dat ik onder een baas zou kunnen werken.

Uiteindelijk ben ik fietsenmaker geworden omdat het repareren van fietsen, vergeleken met alle andere werkzaamheden die vroeger in de zaak werden uitgevoerd, het makkelijkst is om er mee binnen de zaak te blijven. Met de taxi’s ben je namelijk vaak weg, de buitenboordmotoren moest je telkens naar de haven toe slepen en de benzinepomp was niet meer te doen met de telkens vernieuwde milieueisen. Tenslotte speelde het mee dat er met de fietsen in het, destijds al sterk groeiende, toerisme goed viel te verdienen. Voor mijn tijd was er weinig toerisme, waardoor er veel armoede was op het eiland (Schouwen-Duiveland, Zeeland). Met die verschillende richtingen binnen het bedrijf was de instelling dan ook: ‘4 keer 25 is ook 100 procent’. Nu haal ik dankzij het sterk gegroeide toerisme alleen met de fietsenhandel al 80 procent van de totale inkomsten. De rest van de inkomsten haal ik onder andere uit het verkopen van gas, petroleum, boutjes en moertjes en isolatiemateriaal.

Ondanks dat ik een familiebedrijf run, kon ik niet zomaar fietsenmaker worden. Vroeger moest je een middenstandsopleiding hebben gehaald om fietsenmaker te kunnen worden. Ik moest zelfs op mijn 21ste nog een dag in de week naar school. Tegenwoordig mag je overal een zaak starten als je je vestigingspapieren hebt. Het leukste van het vak vind ik niet de omgang met mensen, maar dat als er iets kapot binnenkomt, het weer heel naar buiten gaat. Hoeveel werk er ook in gaat zitten, als ik het uiteindelijk kan maken, word ik daar blij van. Dan heb ik iets gepresteerd en heb ik mensen blij gemaakt. Het minst leuke van het vak is als ik iets niet kan maken, en/of als de klant niet tevreden is. Dat kan een keer gebeuren, maar dat is niet leuk. Dat trek ik mijzelf dan erg aan want het voelt dan een beetje alsof ik gefaald heb.

Spijt heb ik niet: in je eigen bedrijf gaat veel tijd zitten, maar daar staan wel veel vrijheid en financiële ruimte tegenover in de zin dat je zelf kunt investeren in bepaalde zaken. Bij een baas moet je ‘ja-en-amen’ zeggen. Dat is niet erg, maar dat is niet iets voor mij. Het meest trots ben ik dan ook op de verbouwing van een paar jaar geleden. Vroeger stond er een oud huisje naast de winkel. Dat hebben we gesloopt en daar hebben we garages neergezet. Ook hebben we de showroom vergroot en aangebouwd. Toen ik de zaak overnam, was het namelijk allemaal oude zooi. Als mensen voorbij liepen en ze lachten, dacht ik altijd ‘zij lachen het oude spulletje uit’. Nu staat er wat nieuws, daar ben ik zelf erg trots op. Vooral omdat ik het allemaal zelf heb betaald. Zelf zou ik durven zeggen dat het zeker ten goede is gekomen van de aantrekkingskracht van de fietsenwinkel. Als ik alles over mocht doen, zou ik dan ook hetzelfde gedaan hebben. Alles is goed op zijn plek gekomen, ik kan het aan en het levert genoeg op.

Van Dongen Tweewielers met rechts de nieuwe, aangebouwde showroom in 2018 Bron: Michiel van Dongen

Over tien jaar hoop en denk ik op hetzelfde niveau te zijn als nu. Hoelang ik dit nog wil doen, hangt  af van hoeveel mijn kinderen kosten en hoeveel mijn levensonderhoud kost. In mijn ideale situatie zou ik als ik tegen mijn pensioen aanloop, vaker ‘nee’ kunnen zeggen en het wat rustiger aan kunnen doen. Als er geen opvolger komt en alles zit mee, dan zou ik het verkopen rond mijn 65ste.  Mochten onder andere mijn kinderen mij veel geld (blijven) kosten, blijf ik dit doen tot de dood. Hoop op een volgende generatie voor deze zaak heb ik niet echt, maar dat is niet erg. In deze tijd denk ik dat je meer vastigheid hebt onder een baas dan als zelfstandig ondernemer.”