Waar komt zelfbeschadiging vandaan?

Door: Suzanne van Hout

Het stereotype beeld van een tienermeisje dat in haar kamer een mes over haar armen haalt kennen we wel. Nu is dit is een grote doelgroep, maar er is ook een groot grijs  gebied. Op je lip kauwen, aan je nagels  frunniken, met je hoofd tegen de muur bonken, aan je haren trekken; misschien herken je het zelf wel. Overprikkeling (stress) en onderprikkeling (depressie) komen  onder jonge mensen veel voor en vormen een voedingsbodem voor het probleem dat automutilatie heet.

Maar wat als je niet eens begrijpt wat er om je heen gebeurt? Als je de mensen om je heen wantrouwt en de wereld niet kan volgen. Wat, kortom, als je een verstandelijke beperking hebt en daardoor extra vatbaar bent voor zelfbeschadiging? Het Centrum voor consultatie en expertise is een project begonnen over ernstig zelfverwondend gedrag (automutilatie) bij mensen met een verstandelijke beperking.

Volgens Bart Henderikse (projectleider voor het centrum consultatie en analyse) is ernstig zelfverwondend gedrag bij mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking veel voorkomend. Vaak in combinatie met ander problematisch gedrag, zoals agressie en vernielzucht. Het project zelfverwonding, waaraan hij werkt, moet eind 2016 resulteren in een nieuwe handreiking voor artsen voor verstandelijk gehandicapten, psychiaters, psychologen en orthopedagogen. Jeroen Leemans, pedagoog en mede-eigenaar van Het Spant[1] vertelt over de risicofactoren die zelfbeschadigend gedrag in de hand kunnen werken en de behandelmethoden daarvan.

We lopen een klein kamertje binnen. Jeroen ploft neer op de kleine leren bank. Ik neem plaats op het houten stoeltje voor het bureau en merk dat ik deze niet kan aanschuiven. “Alles zit hier vast.” lacht Jeroen. “Voel maar eens aan het bureau, dat krijg je niet van zijn plek.” In dit kamertje zit vaak een jongen die kampt met automutilatie. Zijn puzzel ligt er nog. De verwarming is afgeschermd en over de ramen is een stuk hout getimmerd. Op mijn vraag “Waarom?” krijg ik het antwoord: omdat hij het anders kapot maakt. De automutilatie van deze jongen uit zich door agressie. Doordat hij in deze kamer niks kapot kan maken ebt die behoefte vanzelf weg. Hoe werkt dat dan? “Het geeft rust voor deze jongen dat hij weet wat hij aan deze ruimte heeft. Hier staat alles vast. Dus er hoeft niks kapot.”

Rust en overzicht zijn de tegenpolen van overvraging en overprikkeling. En het zijn de laatste twee sleutelwoorden die automutilatie in de hand werken.

Overvraging ervaar je bijvoorbeeld als: je een opdracht krijgt die je niet begrijpt. Dit leid tot spanning/stress, en dat kan zo moeilijk zijn om te verwerken voor jongeren met een verstandelijke beperking dat ze zichzelf pijn gaan doen ter afleiding. Als dingen niet duidelijk zijn, heb je geen controle. En die kun je terugkrijgen door de automutileren. (Ipse de Brugge, 2010)

Het is voor deze jongeren ook moeilijker om een manier te vinden om hun gevoelens te reguleren. “Op het moment dat jij en ik niet lekker in ons vel zitten, kunnen we dat reguleren. Ik stop dat zelf in sport. Als mijn lichaam moe wordt, dan wordt het gemaal in mijn hoofd vanzelf minder. En dan kan ik er weer tegen.”

Omdat deze jongeren dat zelf dus vaak niet kunnen, worden er handvatten geboden door de begeleiders. Onder andere, het participeren. “Als mensen bijvoorbeeld in een burnout zitten, kiezen we ervoor om ze vooral met rust te laten.” Maar daardoor zonder je ze juist af. “Je moet maar eens, als je zelf gestrest bent, een dag helemaal niets doen. Dan ervaar je die onderprikkeling, en dat is heel vervelend.” Ontspannen moet dus gebeuren op een manier die genoeg prikkels geeft. Anders drijf je als het ware af, en wil je pijn voelen om jezelf weer terug te trekken in de realiteit.

“Deze jongens houden me in het hier en nu. Je kunt het je niet veroorloven om af te dwalen, om over morgen of gisteren te malen.” Het is per definitie moeilijk om van zelfbeschadigend gedrag af te komen, en sommige kinderen zullen er altijd mee blijven kampen. Het bieden van veiligheid echter, maakt dat het gedrag verminderd en dat negatieve emoties beter worden gereguleerd. “We bouwen een onvoorwaardelijke band op met het kind, en bieden hem daardoor duidelijkheid.” Deze structuur, samen met de belofte van een veilige omgeving zorgen voor rust en vertrouwen.