‘Ik zal niet meer verschijnen voor u’

Op 17 juni vond er een winkeldiefstal plaats bij een Kruidvat filiaal in Utrecht. Gestolen spullen in een tas van de Aldi, die vervolgens in de achterbak van de auto van de verdachte gelegd werd. De zitting ging over het wel of niet medeplichtig zijn van de verdachte. Dat tweede was de uitspraak. De rechter vond dat er niet genoeg bewijs was om hem schuldig te verklaren.

Voordat de zitting echt begint, stelt de rechter nog een paar vragen. Extra goed gearticuleerd en alsof er een kind voor hem zit waar hij tegen praat. ‘Ik heb het gevoel dat we langs elkaar heen praten’, zegt de tolk, nadat hij een lang antwoord van de verdachte krijgt in het Turks. ‘Als meneer het niet begrijpt, gaan we maar verder’, zegt de rechter daarop.

‘Ik ben zelf niet betrokken geweest. De twee mannen zijn mijn vrienden die ik ken van het Turks koffiehuis. Zij wilden gaan winkelen maar hadden zelf geen auto. Ik heb toen aangeboden om ze te brengen. Toen zij in de winkel waren, bleef ik in de auto. Een tijdje later kwam een van hen terug en legde een tas in de kofferbak. Daarna zijn ze allebei opgepakt. Ik ben niet uit de auto geweest of in de winkel geweest. Daarna keek de politie in de kofferbak en vonden ze de tas.’

De rechter vraagt of hij het hier vooraf met zijn vrienden over heeft gehad. De verdachte zegt dat zijn vrienden graag naar de Kruidvat wilden omdat er korting was, maar hij ervoor zichzelf geen noodzaak in zag om mee te gaan en is in de auto blijven zitten.

‘Waarom vond je de tas niet opvallend?’, vraagt de rechter. Het gaat over de koeltas van de Aldi. Met de aluminium binnenkant is het heel makkelijk om spullen te stelen, omdat het beveiligingsalarm niet afgaat als je naar buiten loopt.

‘Ik wilde alleen maar behulpzaam zijn, omdat mijn vrienden geen auto hebben.’ Ook zegt hij er helemaal niet op gelet te hebben.

De rechter begint over het feit dat er in het politierapport staat, dat de verdachte zegt dat hij met familie boodschappen deed. Op dat moment verheft de verdachte zijn stem. ‘Ik heb duidelijk gezegd dat ik met mijn vrienden was. Ook hebben mijn vrienden gezegd dat ik onschuldig ben en heb ik onnodig drie dagen vastgezeten toen ik opgepakt ben. Sinds dag één in Nederland heb ik nog nooit iets strafbaars gedaan.’

De verdachte spreekt tegen zijn tolk en er klinkt enige twijfeling in zijn stem, wanneer hij vraagt of de verdachte nog iets mag zeggen. De rechter knikt. De verdachte wil bezwaar maken tegen de parkeerboetes die hij kreeg toen hij in de gevangenis zat. ‘Dat is nu niet van toepassing meneer’, zegt de rechter met een zucht.

‘Naar mijn mening is 125 euro een redelijk bedrag voor medeplichtigheid aan diefstal’, zegt de officier van justitie. De verdachte onderbreekt haar en zegt dat hij er helemaal niks vanaf weet. ‘Dat zou ik heel onwaarschijnlijk vinden. Ook vind ik het opvallend dat er verschil in verklaringen is.’ Bij een vergeefse poging om haar te onderbreken zegt de rechter: ‘Bewaar je commentaar voor het laatste woord.’

Voordat de raadsman aan zijn pleitnota begint, laat de verdachte nog een keer weten dat zijn vrienden hebben gezegd dat hij onschuldig is. Wederom zegt rechter dat hij dat moet bewaren tot het laatste woord.

De raadsman begint zijn pleitnota met de stelling dat de diefstal inderdaad heeft plaatsgevonden. ‘De vraag is: wist de verdachte ervan, of hebben de mannen misbruik van hem gemaakt?’

Hij gaat uit van het tweede. ‘De auto was in deze misdaad geen noodzaak. Bij zo’n diefstal wil je juist niet opvallen. Je hebt geen auto nodig om je snel uit de voeten te werken. Ze hadden ook met het openbaar vervoer kunnen gaan.’

Verder heeft de verdachte een blanco strafblad. Een van de andere twee mannen heeft al zestien van zulke zaken op zijn strafblad staan. Hij kent deze man al langer, dan had hij het misschien ook al eerder kunnen doen.

De verdachte heeft 656 euro eigen bijdrage betaald aan onder andere zijn raadsman. Zijn boete zou 125 euro zijn geweest. Hij had dus veel meer geld over om vrijgesproken te worden, dan dat hij uit gemak dat veel kleinere geldbedrag zou betalen.

Tenslotte stond in het politieverslag waar de verdachte de twee mannen van kent, het Turks koffiehuis. De twijfel over de twee verschillende verklaringen kan daarmee ook weggenomen worden, omdat daaruit duidelijk blijkt dat hij het over zijn vrienden had en niet over familie.

Dan is het de beurt aan de verdachte voor het laatste woord. Nogmaals benoemt hij dat zijn vrienden zijn schuld ontkennen en dat hij nog nooit iets fout heeft gedaan. Wanneer de rechter weer aan het woord is voor de uitspraak, probeert de verdacht nog iets te zeggen. ‘En nu is het klaar’, zegt de rechter streng.

Volgens de rechter is er te weinig bewijs dat de verdachte medeplichtig is. Hij vindt het niet raar dat hij aangeboden heeft de twee mannen te brengen. Hij zegt wel dat het handiger was geweest om misschien wat meer vragen te stellen vooraf. Daarnaast vindt de rechter dat het niet mogelijk is om vast te stellen wat de verdachte wel of niet ervan afwist vooraf. Daarom is de verdachte vrijgesproken.

De verdachte antwoordt: ’Ik zal niet meer verschijnen voor u.’