Schuilen achter een wietverslaving

 

Verslavingen aan alcohol tot harddrugs; ervoor uitkomen is een taboe. Alhoewel omgevingsfactoren zoals de jeugd van een persoon of ingrijpende gebeurtenissen vaak leiden tot verslavingen volgens Hersenstichting, is drieëntwintigjarige Puck Baars’ verhaal anders; ze rende weg voor haar gedragsprobleem en durfde de verslaving niet toe te geven 

Nonchalant verlaat Puck het Nijmeegse perron, handen in haar zakken begraven. Om ergens op het station wat te drinken, dat lijkt haar wel wat. Nadat de barista haar naam heeft geroepen, gaat ze zitten, ietwat onderuitgezakt; ze is niet bang voor het persoonlijke gesprek dat eraan zit te komen. Ze kijkt rechts naar de koffiedrinkers naast haar, links naar de mensen die binnenkomen, maar ondanks alle prikkels is ze gefocust op één ding: het verhaal over haar leven als ex-wietverslaafde.  

 

“Stoned zijn betekende voor mij me fijn voelen.” 

 

VOOR DE BUZZ 

“Ik was dertien jaar toen ik voor het eerst een joint in mijn handen had. Dat is jong, maar ik was groot en volwassen voor mijn leeftijd, en ik bracht veel tijd door met mijn oudere vrienden die een jaar of zestien waren. Zij hadden ervoor gezorgd dat ik bekend werd met de wereld van marihuana en verslaving. 

 

Eigenlijk had ik al een indirecte verslaving voor ik aan wiet begon: ik had ADHD en slikte daar zware medicijnen voor die mij allesbehalve gelukkig maakten. Ik voelde me net een lijk, iemand zonder emoties, haast levenloos. De ontdekking van wiet was als de ontdekking van een schatkist, want ik werd er rustig van in mijn hoofd zonder me als een dood mens te voelen.  

 

Ik was een beïnvloedbaar meisje, deels door mijn ADHD, maar ook door de jonge leeftijd en de onzekerheid rondom mijn geaardheid. Ik wist al sinds mijn elfde dat ik op meiden viel, maar daar was ik nog niet echt voor uitgekomen. Daarbij kwam dus ook nog de invloed van mijn ‘stoere’, oudere vrienden en dat resulteerde in een wietverslaving.” 

 

TIJDENS HET STONED ZIJN 

“Eentje voordat ik naar school ging, eentje tijdens de kleine pauze, eentje tijdens de grote pauze, eentje na school en als ik ’s avonds ging chillen met mijn vrienden nog een paar; dat is hoeveel joints ik op een alledaagse schooldag rookte. Lessen skippen om te roken, gemiddelden die daalden, zo ging mijn leven steeds meer bergafwaarts. Dit gedrag zorgde ervoor dat mijn school me in de gaten ging houden, zo kwamen docenten erachter dat ik een verslaving had. Ze hadden mijn ouders, die niet echt in de gaten hadden dat ik verslaafd was, ingelicht en ik werd vanaf toen thuisgeschoold zodat ik in ieder geval geen wiet meer kon roken op school aangezien mijn ouders daar geen toezicht over me hadden. Ook werd ik naar een afkickkamp gestuurd in de Ardennen dat werd georganiseerd door mijn school in samenwerking met de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De bedoeling daarvan was het bewijzen dat niemand drugs nodig heeft om te kunnen functioneren in het dagelijks leven. Ze hielden ons bezig met allerlei teambuilding activiteiten waardoor je de tijd niet eens kreeg om te denken aan je verslaving. Aangezien jongeren en verslavingen destijds een algemeen probleem was in Nijmegen, leerde je ook mensen van andere scholen kennen. Het ontmoeten van lotgenoten hielp ook heel erg, zo voelde ik me niet de enige op de wereld met een probleem. 

 

Stoned zijn betekende voor mij me fijn voelen. Als ik niet stoned was, was ik druk in mijn hoofd en als ik dan wel stoned was, was dat gewoon bijna niet. De grote hoeveelheid overweldigende prikkels die ik normaal binnenkreeg, kreeg ik niet meer zo binnen. Ik werd rustiger en dat was aangenaam, maar op een gegeven moment werd het te rustig. In het begin ontkende ik natuurlijk tegen mezelf dat ik een verslaving had, maar ik begon steeds meer in te zien hoe erg mijn verslaving was en werd. Daarom vond ik het eigenlijk helemaal niet zo erg om deel te nemen aan dat kamp en daarnaast heeft het ook nog eens geholpen. Helaas zag ik tijdens het kamp om mij heen mensen die na twee dagen al weggingen en er gewoon echt niet voor openstonden om geholpen te worden; gelukkig was ik slim genoeg er wel voor open te staan. Ook mijn oudere vrienden zagen het negatieve van de verslaving niet en bleven doorgaan, zelfs toen ik stopte. Zij wisten denk ik niet meer wie ze zonder wiet waren, want als je zoveel blowt, vergeet je wie je eigenlijk echt bent.   

 

Mensen denken dat je niet verslaafd kan raken aan marihuana, maar dat is fout. Ik denk ook dat daar het taboe schuilt: je ziet jezelf niet zo snel als een verslaafde, terwijl je vaak wel verslaafd bent. Als je het al niet aan jezelf kan toegeven, laat staan mensen om je heen. Je wordt weggezet als loser en juist dat kleineren moet ophouden zodat het taboe uit de weg geruimd wordt; begrip is wat verslaafden nodig hebben.”   

 

TIJDENS HET NUCHTER ZIJN 

“Inmiddels ben ik sinds mijn zestien/zeventiende nuchter en heb ik sindsdien geen joint meer in mijn handen gehad. Ik vind het niet erg als mensen naast mij een jointje roken, maar als ze het aanbieden wijs ik het vastberaden af. Ooit ben ik wel eens naar een school geweest om te praten met jongeren zoals ik, en als ik ooit gevraagd word een workshop te geven over drugs zou ik geen nee zeggen. Ik ben grotendeels over mijn ADHD heen gegroeid, dus hoef ik nu ook geen medicijnen meer te slikken.  

 

En wat stoned zijn nu voor mij betekent? Helemaal niks.”