Nostalgie binnen de uitvaartbranche

Nostalgie UitvaartbrancheTekst: Tieme Bruurs | Beeld: Anton Darius, @theSollers Unsplash

Medewerkers binnen de uitvaartbranche komen op verschillende manieren in aanraking met nostalgie. Als een dierbare overlijdt komen er vaak nostalgische gevoelens naar boven bij de nabestaanden. Hoe gaan de mensen die werken binnen de uitvaartbranche hiermee om? En wat voor nostalgische gevoelens ervaren zij zelf? Ingrid Bruurs is sinds mei 2018 algemeen medewerker in een uitvaartcentrum bij Monuta Tom van Dijk in Tilburg. Daarvoor heeft ze tien jaar in een bus gereden om overledenen op te halen voor Rouwservice Nederland (RSN) Eindhoven.

“Het is prettig voor de nabestaanden als zij elke dag weer dezelfde gezichten zien. Als ze iedere keer iemand anders om zich heen hebben, kunnen ze ook moeilijker een vertrouwensband opbouwen.”

Als algemeen medewerker in een uitvaartcentrum heeft Ingrid verschillende taken. “Ik verzorg de overledenen en maak ze klaar voor het afscheid van de mensen. De nabestaanden worden verwelkomd met een bakje koffie of thee. We bieden de nabestaanden tegenwoordig aan om mee te helpen bij de verzorging. Als ze er dan zijn is het bij binnenkomst heel erg huilen. De confrontatie met de overledene is natuurlijk heftig. Dan komen ze stilletjes aan en helpen ze mee. Ik geef een sok aan en na een kwartier zitten ze aan de haren te frunniken. Dan zie je dat ze het toch willen. We bieden het aan omdat het kan. Sommige mensen willen het absoluut niet. Maar de meesten vinden het fijn dat het kan en helpen goed mee. Daarna gaan ze na naar een 24-uurs kamer waardoor ze dag en nacht bij de overledene kunnen zijn. Ze kunnen zelf de tijd indelen om afscheid te nemen. Na het verzorgen wordt de overledene uitgegeven. Meestal gebeurt dit te voet omdat het crematorium naast het uitvaartcentrum zit. Anders komt er een rouwwagen die de overledene brengt naar een kerk of ander crematorium.”

Het verzorgen deed ze ook al bij haar vorige baan. Volgens Ingrid is het verschil tussen de twee ook niet heel groot. Nu komt ze alleen niet meer bij de mensen thuis. “Ik verzorgde bij de mensen thuis of nam ze mee. Dan ging je van een huisadres naar een uitvaartcentrum of crematorium en legde je daar de overledene neer. Nu verzorg ik alleen nog maar in het uitvaartcentrum.” Het opbaren bij de mensen thuis doet ze niet meer. Maar volgens Ingrid willen ze dat wel weer gaan doen. “Het is prettig voor de nabestaanden als zij elke dag weer dezelfde gezichten zien. Als ze iedere keer iemand anders om zich heen hebben, kunnen ze ook moeilijker een vertrouwensband opbouwen.”

“Zelf gaf het mij wel het beste gevoel als we iemand over de 100 hadden. Dat de kinderen dan meehelpen terwijl zij zelf ook al in de 70 zijn.”

Het moge duidelijk zijn dat Ingrid bij haar werk contact heeft met nabestaanden. Maar praat ze dan ook met die mensen over hun herinneringen? “Ik begin er nooit zelf over. Maar als mensen steun nodig hebben kunnen ze altijd bij mij of een van mijn collega’s terecht. Dan hebben we het er natuurlijk wel over. Het is al heel zielig en treurig. Daarom laat ik de mensen met hun emoties naar mij toe komen zodat ik daar handen aan kan geven om het voor hen dragelijker te maken.” Ondertussen is Ingrid wel gewend geraakt aan de verhalen. Toch geeft ze ook aan dat het bij de een makkelijker is dan bij de ander. “Bij een jong iemand heb ik ook mijn emoties. Maar die mag ik niet laten zien. Het is ook mijn beroep en het is niet beroepsmatig om te huilen waar de mensen bij zitten.”

Ingrid heeft verschillende gevoelens bij de herinneringen aan haar werk. “Zelf gaf het mij wel het beste gevoel als we iemand over de 100 hadden. Dat de kinderen dan meehelpen terwijl zij zelf ook al in de 70 zijn. Dan krijg al je die verhalen en dat gaf me een blij gevoel. We gaan naar iemand toe die al 100 is. Wat is dat toch een mooie leeftijd. Ook dingen die niet leuk zijn blijven je bij. Zoals kinderen. Als we die verzorgden probeerden we ook vaak de uitvaart te rijden. Dan konden we het zelf ook een plekje geven. Omdat zoiets niet vanzelfsprekend is moeten wij het ook kunnen verwerken. Ik heb ooit een uitvaart gereden voor een jongen die op hockey zat. De nabestaanden hadden een hele erehaag van hockeysticks. Dan krijg ik de rillingen over mijn lijf. Kippenvel.”

“Ieder mens heeft natuurlijk zijn eigen wensen. Als ze heel graag met de koets begraven willen worden, doen we dat gewoon.”

Er zijn niet echt dingen van vroeger die terug zouden moeten komen volgens Ingrid. “Heel vroeger gingen ze met paard en wagen. Dan is het nu toch wel iets makkelijker allemaal. Hoewel dat ook nog wel eens wordt gedaan. Ieder mens heeft natuurlijk zijn eigen wensen. Als ze heel graag met de koets begraven willen worden, doen we dat gewoon. Er zijn ook koetsen die speciaal rijden voor begrafenissen.” Ingrid praat ook wel eens met haar oudere collega’s over hoe het er vroeger aan toe ging. Met de politie werken is nu bijvoorbeeld heel anders. “Vroeger mochten we bij politiemeldingen alles zien. Omdat ze vaak nog in onderzoek waren, moesten we tekenen dat we daar niet over zouden praten. We konden dus niet thuis vertellen hoe die mensen werden opgehaald. Tegenwoordig krijgen we veel minder te zien. Collega’s halen dan wel mensen op van een moord of zelfdoding. Maar die worden allemaal in een bodybag verzegeld waardoor je er niets meer van ziet.”

Nostalgie binnen de uitvaartbranche betekent voor Ingrid vooral veel mooie verhalen. “Het dragen van kisten bij een uitvaart wordt tegenwoordig vaak door studenten gedaan. Vroeger had je die eigenlijk niet. Toen stond er ooit een keer een overledene bij een kerk. De nabestaanden kregen de kist niet opgetild en vroegen aan studenten die op straat liepen of ze zouden willen helpen. Daaruit is de organisatie Draagkracht ontstaan. Daarbij wordt het dragen van de kist meestal uitgevoerd door studenten. Zij zijn dan gekleed in zwart pak, dragen handschoenen en hebben een hoge hoed op. Het is zelfs mogelijk dat de kist geschouderd gedragen wordt. In de uitvaartbranche wordt er hard gewerkt om de mensen een prettig afscheid te geven.”