‘’Die Turk komt niet naar binnen!’’

Tekst: Tugce Daglayan
Beeld: afkomstig uit fotoalbums van Şambaz en beeldmateriaal van Robert de Hartogh
18-12-2018
Rotterdam

De jaren 70 – Er heerst al 25 jaar lang een woningnood in Rotterdam. Dit gaat tussen 1971 en 1975 gepaard met een hoge werkloosheid veroorzaakt door de olie-embargo tegen het Westen. De arbeidsmigratie wordt in 1973 stopgezet maar de gezinshereniging gaat door ongeacht de economische crisis. De wil van de Nederlander is duidelijk: buitenlanders moeten weer terugkeren naar hun land van herkomst. Zij staan nu klaar om het zware werk te verrichten waarmee gastarbeiders ondertussen brood op de plank brengen.

Şambaz is een voormalig Turkse gastarbeider. Hij is in de jaren 70 naar Nederland gekomen. Hij was het oudste kind van zijn ouders en werd levenspartner van een Nederlandse: Neeltje Magdalena Jansen (Nel). Şambaz vertelt over zijn ervaringen als gastarbeider en buitenlandse schoonzoon.

 

                        

 

‘’Met geluk had ik geen last van de economische crisis omdat ik een goede baan had bij een goed bedrijf. Hierdoor ben ik niet gediscrimineerd op de werkvloer integendeel tot andere gastarbeiders. Voor mij waaide die wind uit een andere hoek. Ik begon namelijk een relatie met Nel, een oer-Hollandse vrouw. Haar familie accepteerde mij zeven jaar lang niet. Drie of vier jaar lang kwamen haar ouders zelfs niet op bezoek bij ons. Ik was minderwaardig in hun ogen. Er werd in het openbaar gezegd: ‘’Jij mag komen, maar die Turk komt niet naar binnen!’’ Ik was niet goed genoeg voor hun dochter, want ik was een Turk. Ze moesten niets hebben van die buitenlanders.‘’

Şambaz en Nel

 

Het onderzoek van de Universiteit van Utrecht bevestigt deze ervaringen van Şambaz. Het blijkt dat vooral over Marokkaanse- en Turkse burgers vooroordelen bestonden. Ouders die zich verzetten tegen het gemengde huwelijk van hun kind hadden vaak dezelfde redenen hiervoor: de normen en waarden van deze buitenlanders komen niet overeen met die van ons. De man en vrouwverhouding was in hun ogen oneerlijk. Het dragen van een hoofddoek en boerka werd door deze ouders ervaren als onderdrukking en beperking van de vrouw. De angst dat hun kind ook in die situatie zou belanden, was groot.

Volgens Şambaz waren die zorgen onterecht: ‘’Ik heb haar nooit gedwongen om moslim te worden. Vier jaar lang gaf ze aan dat ze wilde bekeren. Ik gaf aan dat ze er zelf eerst 100 procent achter moest staan om zo een stap te kunnen zetten. In de islam bestaat dwingen niet. Ieder is vrij in zijn of haar keuzes. Je hoort niet moslim te worden voor je partner. Als je een moslim wordt, moet je het ook echt zelf willen. Als wij niet meer bij elkaar zouden zijn, dan zou ze misschien uit het geloof treden. Zoiets wilde ik niet want de islam is geen spelletje. Ze heeft een tijdje geobserveerd en zich verdiept in het geloof. Uiteindelijk heeft zij er dan ook zelf voor gekozen om moslim te worden.’’

 

Bron: Geheugen van NL/ Robert de Hartogh

 

Langzamerhand worden Turkse gastarbeiders financieel stabieler en beginnen bezittingen te werven. Zo kopen ze bijvoorbeeld huizen die omgezet worden in pensions waar mede-gastarbeiders in verblijven. Dit zijn twee gevoelige snaren van de Nederlandse bevolking. Zij lijden onder slechte financiën door de hoge werkloosheid en ervaren een tekort in woongelegenheid. Ook ik de nieuwsuitzending van 1972 is het terug te horen: ‘Die zelfde Turken die willen dat wij als arbeiders lopen op handen en voeten, dat wij betaald worden met knoopjes en speerhokjes. Waar hebben wij ze voor nodig hè. Die andere mensen kennen niet naar huis, maar deze galbakken wel omdat zij wel worden betaald!’ wordt er uitgebarsten door de microfoon.
Şambaz herinnert zich de periode dat hij ook financieel stabieler werd, hij begon namelijk een koffiehuis. ‘’Gemiddeld verdienden we minder dan de Nederlanders maar leefden zuinig en spaarden veel. We aten thuis in plaats van buiten. Hierdoor kwamen wij makkelijk rond en konden investeren. Turken begonnen hun eigen ondernemingen. Wij durfden risico’s te nemen op financieel gebied, er kwamen Turkse slagers, Turkse groenteboeren, Turkse bakkerijen en dergelijke. De Nederlanders daarentegen strooide met hun maandsalaris en na een week waren ze blut. De gedachte was: Wij leven hier al jaren, hoe kunnen zij wel een onderneming beginnen maar wij niet. Ze vonden het niet leuk dat wij welvarender waren, terwijl zij ons als minderwaardig beschouwden. Ook mijn schoonouders hielden deze mening aan totdat ik mijn eigen koffiehuis begon. Plots bestond ik voor hen. Ze probeerde met mij in contact te komen maar dat hoefde voor mij niet meer.’’

 

 

Şambaz in zijn eigen koffiehuis

 

 

Şambaz vindt dat hij hard heeft gewerkt voor zijn geld en huidig bestaan. Het waren geen makkelijke tijden. Nu lukt het hem er makkelijk over te praten terwijl er af en toe een lach glipt uit zijn mond.
‘’Het was moeilijk, in het begin werkten we al toerist. Dit was illegaal. Soms werden we aangegeven door mensen die ons niet mochten. Dan vluchtten we de daken op van de pensions, zodat de politie ons niet kon vinden. We waren bang onderweg naar ons werk om opgepakt en vervolgens uitgezet te worden. Later kreeg iedereen een verblijfsvergunning. In die tijd waren we wel sterker verbonden met elkaar. We kwamen op voor elkaar en probeerden elkaars problemen op te lossen.’’