”De volgende dag kom je met een hoofddoekkie”

 

Nel Jansen

 

Tekst: Tugce Daglayan

Beeld: afkomstig uit  fotoalbums van Nel Jansen

04-12-2018

Begin jaren 70-  Nederland is niet meer conventioneel, maar progressief. De Nederlander mag doen wat hij wilt en zijn wie hij wilt. Geen vaste regels meer. Burgers worden opstandiger en durven hun stem te laten horen. Nederland is nu het land van democratie, vrije wil en acceptatie. Toch slaat de sfeer om in de havenstad van het land. Langzamerhand beginnen namelijk de oude wijken van Rotterdam voller te raken door gastarbeiders die er komen wonen. Werkloosheid in het land stijgt door de oliecrisissen. In 1979 raakt de Nederlandse economie een dieptepunt. Vier jaar later is de werkloosheid toegenomen met 444.000 werklozen. De inheemse bevolking raakt gefrustreerd en de spanningen lopen hoog op. Het volk vindt dat gastarbeiders moeten vertrekken zodat er banen vrij komen. Dit gebeurt niet. Afkeer tegen de buitenlanders neemt toe. Neeltje Magdalena (Nel) Jansen krijgt in 1980 een relatie met een Turkse gastarbeider. Zij komt voor een keuze te staan: haar liefde of haar familie.

Rond 6 uur ’s avonds bel ik aan en een blonde vrouw met blauwe ogen doet de deur open. Ik krijg een kopje koffie en zoetigheid aangeboden waaronder oer-Hollandse speculaas. Nel werpt een blik naar haar verleden, dit gaat soms gepaard met een grote glimlach, een diepe zucht of een droevig gezicht.

Nel als jonge vrouw

‘’We werkten op dezelfde plek en hij nodigde mij uit om naar de bioscoop te gaan. Ik weigerde omdat het een Turk was. Het was een taboe, er werd slecht gepraat over de buitenlanders. Later ben ik toch met hem naar de bioscoop gegaan en ik werd verliefd op hem. Dit bezorgde mij een slechte reputatie. Ik ging met ‘de Turk’. Mijn familie accepteerde het niet. Ik ging langs bij mijn tante om haar te vertellen over mijn nieuwe relatie. Voordat ik haar huis binnen kon stappen, zei ze: ‘Ik heb het gehoord, jij mag naar binnen maar die Turk blijft buiten.’ Hij had ook geen naam, iedereen noemde hem ‘die Turk’. Ik moest kiezen tussen mijn familie en een gastarbeider. En ik heb toen voor die gastarbeider gekozen. Hij begreep niet dat ik voor hem koos, omdat familie bij de Turken hoog in het vaandel staat. Hierdoor heeft hij altijd geprobeerd om een goede band op te bouwen met mijn familie, maar dit is niet gelukt.

Nel in haar jeugd samen met haar ouders

Naar mijn familie ging ik niet, mijn ouders kwamen wel op bezoek bij ons. Alleen weigerden ze om tegen hem te praten. Mijn zusje en broertje waren het ook niet eens met mijn keuze, dit was terug te zien in mijn relatie met hen. Mijn omgeving had vooroordelen: als ik aan een Turk zou beginnen zou ik de volgende dag met een ‘hoofdoekkie’ komen. Mijn oma overleed bijvoorbeeld tijdens Kerstmis, waardoor ik het niet meer ging vieren. Ook dit werd gelinkt aan hem.

Nels bekering tot de islam

Na twee jaar zei ik: ‘Ik zou ook wel moslim willen worden.’ Hij zei: ‘Nee, je moet eerst alles meemaken, honderd procent erachter staan en dan kan je een keuze maken.’ Dit deed ik. Hij leerde mij veel over het geloof.
In 1984 ben ik uit mijzelf moslim geworden in de Kocatepe moskee in Rotterdam. Ze hadden speciaal voor mij een witte hoofddoek klaargezet. Er waren kleine aardbei-figuurtjes aan gehaakt. Hij heeft mij nooit gedwongen om moslim te worden, want dat mag ook niet in de islam. Soms sprak hij zijn voorkeur uit over bepaalde zaken maar verbood mij niets. Het was een gemengd huwelijk dus was het geven en nemen. Hij paste zich soms aan mijn cultuur en ik aan die van hem. Hierdoor botsten we ook niet.

Nel en haar Turkse partner naast elkaar

De relatie tussen mij en zijn familie was ook slecht. Toen ik voor het eerst in Turkije aankwam, wilde ik een goede indruk maken. Ik had cadeautjes gekocht, zelfs fietsen meegenomen. Mijn schoonmoeder keek niet om naar de cadeautjes, ze wierp ze in een kamer. Ik sprak geen woord Turks en zij spraken geen woord Nederlands. Ik werd compleet genegeerd, want hun schoondochter was een Nederlander en geen Turk. Ik ben later teruggegaan naar Nederland. Uiteindelijk is het goed gekomen tussen mij en mijn schoonouders. Het werd zelfs op een gegeven moment gezellig met ze. De relatie tussen mij en mijn familie is nooit goed gekomen. Ik heb altijd gehoopt dat ze zouden zeggen: ‘We gooien er zand overheen en maken een nieuwe start.’ Dit hebben ze niet gedaan. Op een gegeven moment ben ik gestopt met piekeren hierover en ben ik doorgegaan met mijn leven. Ik heb al 35 jaar geen familie.’’