‘Voor mijn gevoel behoorde ik tot een van de meest vrije mensen op aarde’

Aart Heering (63) woont al bijna dertig jaar in Italië (Rome) en werkte daar als correspondent voor bekende media zoals het AD en BNR. Acht jaar geleden was ook de crisis in de journalistiek in Italië merkbaar en heeft hij een omslag in zijn carrière gemaakt. Aart is gaan werken voor de Nederlandse Ambassade in Rome. Waar hij eerst zelf om een perskaart moest vragen, wijst hij ze nu toe.

“Alles in Italië gebeurt iets later. Zo ook de crisis in de journalistiek. Ongeveer tien jaar geleden liepen de oplagen van de dagbladen terug. Ook voor de journalisten hier is het moeilijker om de eindjes aan elkaar te knopen, terwijl zij in vergelijking met de Nederlandse journalisten een vrij riant salaris hebben.

De crisis in de journalistiek was het doorslagpunt van mijn carrièreomslag. Ik had een gezin te onderhouden en dat kon op deze manier niet. Er kwam een plek vrij bij de Nederlandse ambassade. Mijn voorgangster wees me er op. Het gebeurde in die tijd wel vaker dat journalisten als persvoorlichters gingen werken. Ook hier ging de overgang geleidelijk. Ik schrijf nu vooral veel berichten voor Den Haag, zoals over de kabinetsformatie in Rome, maar ook over de Milaanfashionweek.
Een perskaart is belangrijk in Italië. Deze vraag je aan bij de ambassade. Bij mij dus. Ik bekijk dan of iemand echt journalist is en voor een serieus medium werkt. Wanneer dit het geval is wijs ik een perskaart toe. Als journalist moest ik ook perskaart aanvragen bij de ambassade, nu schrijf ik ze zelf uit voor journalisten.

Toen ze in Italië een correspondent zochten, heb ik die kans gegrepen; ik wilde de wereld zien. Het werk ging me goed af. Voor mijn gevoel behoorde ik tot een van de meest vrije mensen op aarde. Ik bezocht veel plekken en kon praktisch voor eigen baas spelen. Ik bepaalde veelal ook zelf waar ik over schreef. Mijn baas zat toch kilometers van mij vandaan. Bovendien zag ik nog eens wat van de wereld. Ik ben al op veel plekken geweest. Zo heb ik over de Balkan geschreven, bijvoorbeeld over de verkiezingen daar, de val van Milosevic Servië, over etnisch-politieke twisten en de burgeroorlog in Albanië in 1997. Zelf over de oorlog in Irak. Maar het waren niet alleen zware verhalen, ook wel eens toeristische verhalen over Albanië en Belgrado. Het was dus niet altijd alleen maar Italië.

Het journalistiek werk ging me ook in Italië goed af. Je bent daar als journalist redelijk vrij en zeker als buitenlandse journalist. Ik kreeg dan ook makkelijker hooggeplaatste mensen te spreken, zoals politici als Bersani en Veltroni. In tegendeel tot de lokale journalisten.
Ik hoefde me ook nooit zo formeel te kleden als de Italianen. Als buitenlandse journalist weet je volgens de Italianen toch niet hoe het hoort.

De verschillen met Nederland zijn wel duidelijk te merken in de aanspraak van hooggeplaatste personen zoals politici. Hoe men in Nederland politici aanspreekt, dat wordt in Italië niet getolereerd. Wanneer je als journalist ‘harde’ vragen stelt, wordt dat niet altijd op prijs gesteld en de volgende keer krijg je ook niet meer gemakkelijk iemand te spreken. Of er wordt een hele groep advocaten op je af gestuurd. De ‘directe’ en ‘agressieve’ houding die wij Nederlanders hebben, zie je hier helemaal niet terug in de journalistiek, de Italianen hebben juist ontzag voor autoriteiten. Ze zullen nooit in het bijzijn van aan hooggeplaatst persoon kwaad over die persoon spreken.
Toch wordt er wel kritisch over de huidige situatie in Rome geschreven. De Italianen zijn niet lovend over de bevuilde en kapotte straten en laten dat goed merken in de pers. Dit komt ook vooral omdat het geen rechtstreekse situatie is zoals bij een interview.

Ondanks de verschillende ‘geruchten’ die zich rondom de persvrijheid in Italië voortdoen, heb me als (buitenlandse) journalist nooit onderdrukt gevoelt in Italië. Op de persvrijheidsindex scoort Italië niet erg hoog, maar dat komt vooral door de maffia die lokale journalisten onderdrukt. Het is dus niet zo dat de overheid beperkingen oplegt.

Diners en bedankjes zoals een flesje wijn, zijn na het afnemen van een interview heel gebruikelijk. Als journalist ben je dan eigenlijk verplicht om dit aan te nemen, weigeren is een zware beledeging.
Zo kreeg ik ook wel eens een reisje aangeboden en of ik daar dan iets over wilde schrijven. Mijn baas die in Nederland zat vond het wel prima: hij hoefde er niet voor te betalen maar er kwam wel een mooi journalistiek product uit voort. Leden van de buitenlandse pers in Rome krijgen, en in mijn tijd ook al, regelmatig reizen aanboden van regio’s en steden voor zogeheten educationals. Dat betekent dan een dag of drie waarin je de interessante gebouwen, kunstwerken, culturele manifestaties en gastronomische specialiteiten krijgt voorgezet. Ooit werd dat gezien als een soort van poging tot omkoping. Nu niet meer. En terecht, vind ik. Het valt te vergelijken met bedrijfsbezoeken, je komt in aanraking met realiteiten die je anders niet zou kennen en zolang er geen – morele of formele – verplichting bent om er een (positief) verhaal over te schrijven, is er niets mis mee. Dat is tegenwoordig toch wel de communis opinio, dus ook die van mijn voormalige werkgevers.In Nederland zouden we dit als omkoping zien. In Italië, en zeker ook in Rome wordt dit als een formaliteit gezien.”