Veertien dagen celstraf voor man uit Utrecht

Rechtbank Midden Nederland – 11 februari 2021 

Op donderdag 11 februari  j.l. is de Utrechtse Ahmed K. veroordeeld tot veertien dagen celstraf. Dit vanwege het meerdere malen overtreden van artikel 184 uit het Wetboek van Strafrecht: hetgeen staat voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering. 

De zaak wordt gestart met een samenvatting van de aanklachten tegen de heer K.  De Officier van Justitie pakt de desbetreffende papieren en begint de zaak. “De verdachte heeft een gebiedsverbod opgelegd gekregen voor Amersfoort, nadat hij daar op 5 juli 2020 om 16.00 uur in een auto was aangetroffen. Hij was onder invloed van alcohol. Hij werd echter op 31 augustus 2020  weer aangetroffen in de buurt van de haven van Amersfoort. Omstanders belden de politie over een “verwarde man”. De politie heeft een blaastest afgenomen waaruit bleek dat de verdachte in de afgelopen 24 uur alcohol had geconsumeerd. Verdachte zegt het verbod te zijn vergeten en de brief, waarin het verbod was opgelegd, nog niet te hebben gelezen. “ De eerste keer liet de politie de verdachte gaan, met enkel een waarschuwing. De tweede keer werd de verdachte opgepakt en meegenomen naar het bureau. 

Er valt een stilte. Alleen het getik van de griffier is hoorbaar. De advocaat bladert door zijn papieren en kijkt met een schuin oog naar de rechter. De officier van Justitie bereidt zich nu voor op haar requisitoir.  

De stilte wordt doorbroken door de rechter, die de advocaat aanspreekt. “Kunt u mij meer vertellen over de huidige situatie van uw cliënt? “ De advocaat, die het zonder zijn cliënt moet doen, krabt wat op zijn voorhoofd en staat vervolgens op. Hij houdt het kort. “Met mijn cliënt gaat het nog steeds wel de goede kant op; hij wordt stabieler. Ik had hem vandaag bij de zitting verwacht. Verder zie ik geen zorgelijke signalen”. De rechter luistert aandachtig, terwijl de officier van Justitie de bladeren voor haar neus verwisseld.  Het is tijd voor de eis. “Wij zijn in gesprek gegaan met het Veiligheidsoverleg. De verdachte heeft niet meegewerkt aan de hulp die hem is aangeboden. Wij zien een klinische opname daarom niet als een optie. Verdachte heeft ook een lage begaafdheid en alcohol is een groot probleem. Hij is de laatste tijd veel gezien in Soest en Utrecht.” De officier stopt heel even, om een slok water te nemen en vervolgt dan haar requisitoir. 

“Verdachte wist van het verbod en is tóch in het verboden gebied geweest. Voorheen is hem een straf opgelegd van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. Maar dat is geen gepaste straf meer.  De situatie van de verdachte is zorgelijk. Het lijkt erop dat de grenzen voor de verdachte vervagen;  hij leeft tussen wal en schip. “ De griffier stopt even met typen en kijkt naar de rechter. Die heeft zich vooralsnog gericht op de papieren voor haar. De sfeer in de rechtszaal is gespannen, aangezien de Officier nu richting de eis gaat praten. 

“Naast het alcoholprobleem”, vervolgt ze, “heeft de verdachte ook veel betaalachterstanden. Ondanks alle hulp die is aangeboden, gaat hij er niet goed mee om. De voorheen opgelegde taakstraffen werden niet uitgevoerd en waarschuwingen bleven ongehoord. Het is belangrijk om de verdachte een ander pad in te duwen. Het is tijd om de verdachte af te straffen.

Daarom eist het OM een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken, zonder voorarrest. Zo komt meneer ook even van de drank af.”

De rechter bedankt de officier van Justitie en richt zich dan op de persoonlijke situatie van de verdachte, met het oog op een psychiatrisch onderzoek dat op 6 november 2019 is gedaan. “Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte een stoornis heeft omtrent het gebruik van alcohol. Daarbij is hij licht verstandelijk beperkt en heeft hij last van psychoses.” De overtreding van artikel 184 omtrent het gebiedsverbod is echter niet het enige waarvoor de verdachte is veroordeeld. “De verdachte heeft op 9 augustus 2019 één dag in gevangenschap gezeten wegens een betrokkenheid bij een overval. Daarnaast heeft hij vanaf 31 juli 2020 twee dagen in gevangenschap gezeten wegens mishandeling.”

 

De rechter verplaatst haar blik van het onderzoek voor haar neus naar de Officier van Justitie en kijk vervolgens de advocaat aan. “Wilt u reageren op de eis?” De advocaat struikelt wat over zijn woorden, maar herpakt zich. “Het is een zorgelijk vooruitzicht voor mijn cliënt. Hij heeft eindelijk een woonplek; hij verliest de motivatie als hij drie weken weg is. Ik pleit daarom voor een voorwaardelijke straf met hulpverlening.” De officier van Justitie houdt echter voet bij stuk; volgens haar heeft hulpverlening geen nut, aangezien de verdachte geen motivatie vertoont om zijn situatie te verbeteren. 

 

Na de zoveelste stilte en wat hoorbaar gezucht van de advocaat,  komt de rechter met haar oordeel. “De eerste vraag is of de feiten bewezen kunnen worden. Het antwoord is ja. Wat moeilijker is, is de situatie van de verdachte. Hij heeft eigenlijk hulp nodig en heeft daarbij geen reclasseringsrapport. Hij heeft veel kansen gehad, maar geen medewerking getoont. De hulp wordt dus niet aanvaard. Ik denk wel dat meneer in mindere mate toerekeningsvatbaar is. Ik kan ook niet overleggen over welke hulp hij zou willen, aangezien hij vandaag niet aanwezig is. Daarnaast geldt er voor de verdachte ook een taakstrafverbod, dus een taakstraf opleggen is geen optie meer. Ik concludeer daarom dat een gevangenisstraf van twee weken gepast is”. 

De verdachte en advocaat krijgen veertien dagen de tijd om in hoger beroep te gaan.