Spieken bij de jaloersmakende filmindustrie van Denemarken

De Nederlandse film doet het steeds slechter. In de afgelopen 4 jaar zijn er maar liefst 30% minder tickets verkocht voor films van eigen bodem. Zo anders is het in Denemarken, waar eigengemaakte films en series nog steeds bovengemiddeld goed blijven presenteren. Wat zijn de lessen van de Deense filmindustrie?

Jagten, Borgen en The Bridge; of recenter de Netflix serie The Rain? Deze film en series van Deense bodem zullen menig Nederlander bekend in de oren klinken. Zo was Jagten een regelrecht succes in Nederland met meer dan 100.000 bezoekers in de eerste maand van vertoning. De film werd zelfs genomineerd voor beste buitenlandse film bij de Oscars, iets wat drie andere Deense films sinds 2012 ook hebben weten te behalen (A Royal Affair, A War, Land of Mine). Terwijl we in Nederland sinds 2005 (Paradise Now) op een nominatie wachten – in 2014 was Joris Oprins’ A Single Life weliswaar genomineerd maar dat was in de categorie korte animatiefilm.

De cijfers van de Deense film industrie liegen er ook niet om. Het land van filmmaker Lars von Trier en acteur Mads Mikkelsen staat in de top van Europa  als het gaat om het aandeel van de eigengemaakte film in de ticketverkopen van het land. Het aandeel ervan ligt al jaren boven de 20%. In 2018 was het zelfs 30%. Tegelijkertijd is in Nederland het percentage richting de 10% gedaald, terwijl dat tot 2014 nog boven 20% zat. Film Distribiteur Nederland luidde dan ook al in 2017 de noodklok. De belangenvertegenwoordiger van de Nederlandse distributeurs wijst naar de selectieve geldverdelingen waarmee er te veel geld terecht komt bij buitenlandse films en maar bij een beperkt aantal producenten. Films van eigen bodem zouden hier de dupe van zijn.

Als we kijken naar Denemarken, dan zijn de huidige successen van de Deense cinema terug te herleiden naar de periode waarin Ib Bondebjerg(72), nu professor emeritus in film en media aan de universiteit van Kopenhagen, van 1997 tot 2000 voorzitter was van het Deens Film Instituut(DFI). Het is in deze periode dat volgens hemzelf ook de belangrijkste veranderingen plaats vonden binnen de industrie: ‘Voor een klein land presteert Denemarken sinds de late jaren negentig buitengewoon goed. We zijn van ongeveer 10 films per jaar naar 20-25 films gegaan. De reden hiervoor is een sterk nationaal ondersteunend systeem, dat niet alleen mainstream films helpt te bekostigen, maar ook art house films, documentaires, kinder- en jeugd films, en nieuw Deens filmtalent.’

Een van de voorbeelden van nieuw Deens filmtalent is David Zinck(24), korte-filmmaker met grotere ambities in de filmwereld. Volgens hem is de manier hoe Denemarken zijn successen binnen haalt ook terug te zien in het opleiden van nieuwe filmmakers zoals hem. Den Danske Filmskole speelt als de voornaamste plek voor het opleiden van Deens filmtalent hierin een belangrijke rol. Het begint er al mee dat de school niet zomaar elke leerling accepteert, het kiest ze namelijk systematisch uit gebaseerd op wat voor soort films hij of zij later gaat maken. ‘Den Danske Filmskole kiest het zo uit dat er filmmakers zijn die later mainstream films gaan maken en filmmakers zijn die art-house films gaan maken. Dit creëert een veelzijdige aanwas van filmtalent’, aldus Zinck, die zelf op een andere school in Denemarken heeft gezeten, het European Film College. Die school hielp hem bij de financiering van zijn eerste korte film Trophy Hunt, die te bewonderen was op een filmfestival in Denemarken en nu te bekijken is op de website van de filmschool.

David Zinck (rechts van de camera) op de filmset van Trophy Hunt

Ook de overheid speelt haar rol. Zo is afgesproken in de huidige filmovereenkomst (2019-2023) dat er per jaar 75 miljoen euro aan overheidsgeld naar de film industrie gaat. Het overgrote deel daarvan gaat naar het DFI. In het plan wordt er ook op aangedrongen dat het geld meer verdeeld moet worden over de verschillende genres, budgetten en platformen. Een bijkomend hulpmiddel van de overheid voor de filmindustrie is dat het garant staat voor de verliezen van Deense films. Volgens Bondebjerg bewijst dit nogmaals de kracht van het systeem. Filmmakers hoeven zo alleen het geld dat ze krijgen terug te betalen wanneer hun film een groot financieel succes is.

Bondebjerg verwijst in een van de vele publicaties die hij over de Deense film industrie heeft geschreven ook naar een onderzoek van het Deense ministerie van Cultuur uit 2010 waarin de positie van de Deense film in de internationale markt werd onderzocht. ‘De Deense film industrie behaalt zijn successen niet door zich aan te passen aan een internationaal publiek, maar juist door simpelweg Deens te zijn.’, concludeerde het ministerie.

Een genre waar Denemarken samen met de omliggende Scandinavische landen deze eeuw veel successen mee heeft geboekt is het Nordic noir. Over dit genre, dat met series zoals ‘The Killing’ en het eerder genoemde ‘The Bridge’ wereldwijd populariteit verwierf, schreef Bondebjerg dit: “Nordic noir weergeeft wrede misdaden die zich afspelen in het sombere Scandinavische landschap, en het bouwt verhalen op rondom gecompliceerde, vaak gekwelde personages die de reputatie van Scandinaviërs als tevreden, brave burgers tegenspreekt.

Maar wat is het nou precies in Deense films dat ze zo populair maakt in binnen en buitenland?

‘Het is onmogelijk om te zeggen wat de definitie is van een Deense film. Genres houden zich niet aan grenzen, maar op de een of andere manier zijn de verhalen die we vertellen een weergave van de sociale en culturele realiteit waarin we als land leven.’ Bondebjergs antwoord laat maar weer eens doorschemeren waar het al die tijd in Denemarken om heeft gedraaid. Door het publiek te verwennen met een aanbod van verschillende soorten genres aan kijkplezier van eigen bodem, en dus niet alleen Nordic noir, zal zij waarschijnlijk vanzelf er meer voor gaan kiezen.

Misschien moeten Nederlandse filmmakers en producenten maar eens over de grens gaan kijken, en zien hoe de Denen het doen. Want voor een land met nog geen zes miljoen inwoners doen ze het best goed. Zo goed, dat we misschien wel een beetje jaloers op ze kunnen zijn.