SP: “Militairen worden monddood gemaakt!”

Defensie heeft de regels voor militairen aangescherpt met betrekking tot spreken met de pers. Dit mag niet meer tenzij er vooraf toestemming gevraagd en gegeven wordt. Volgens Sadet Karabulut van de Socialistische Partij houdt dat houdt in: geen eerlijke communicatie, geen transparantie en niet waar Nederland aan toe is. “Militairen mogen hun trots en professionalisme niet uiten. Zij worden op deze manier monddood gemaakt.”

In 1996 is Karabulut op de Erasmus Universiteit bestuurskunde gaan studeren. Karabulut houdt zich vooral bezig met ontwikkelingssamenwerking, buitenlandse zaken en defensie. Zij dient een motie in om persvrijheid voor militairen te beschermen. Volgens Karabulut is het een aanscherping om meer controle binnen de organisatie te houden, meer te sturen op informatie die naar buiten komt en om een rooskleuriger beeld van de Nederlandse militaire operaties te geven. Dit staat haaks op wat Staatssecretaris Visser heeft getweet op 8 oktober, namelijk dat defensie eerlijkere communicatie tussen militairen en de kamer wil bevorderen. “Dit is de reden waarom wij hier zo dicht op zitten; het beeld klopt niet en er ontstaat onrust in de organisatie.” Karabulut vertelt dat zij een worsteling ziet aan de top van de organisatie en dat de communicatie er onder lijdt. “Ik geloof écht dat de minister en staatssecretaris het beste met defensie voor hebben. Toch gebeurt precies het tegenovergestelde omdat zij niet op de juiste manier samenwerken.”

Het beeld dat door de wat lagere rangen wordt doorgegeven moet volgens Karabulut meer genormaliseerd worden dan dat van de hogere rangen. De reden waarom dit niet al is gebeurd, is volgens haar de controledrang vanuit defensie. “Alleen het goede nieuws mag naar buiten, niet het slechte. Dat is oneerlijk tegenover Nederland.” Karabulut denkt namelijk dat de meeste Nederlanders warme gevoelens voor de militairen hebben en ze hen ook vertrouwen. “Door het beeld te veranderen met propaganda verslechter je de band juist met de burgers. Goed voorbeeld is Hawija. Jarenlang is gezegd dat het een schone oorlog is met precisie, weinig burgerslachtoffers en dat wij democratie naar dat land brengen. Toch is daar met goede onderzoeksjournalistiek van NRC een heel ander verhaal uitgekomen. Het eerste waarachter de staatssecretaris zich verschool was ‘we moeten de piloten niet in een kwaad daglicht zetten.’ Daarmee bedoelde ze dat de piloten een fout hebben gemaakt, maar de fout ligt natuurlijk bij de organisatie zelf.”

Karabulut is zeer te spreken over goede onderzoeksjournalistiek. “Wat journalisten goed doen is een band met mensen in de organisatie ontwikkelen: goed volgen wat defensie doet en daaruit zo goed mogelijk werk verrichten.” Zij wil het contact tussen de kamer en de journalistiek stimuleren door vrijere communicatiemogelijkheden door te voeren; precies het tegenovergestelde van wat nu gebeurt. “De journalisten die ik ken leggen zich er zeker niet bij neer maar voelen dit als een aanwakkering omdat ze denken dat er iets wordt verborgen.” Defensie snijdt zich als het ware in hun eigen vingers door contactmogelijkheden te beperken vindt Karabulut. “Voor militairen is de vrijheid van meningsuiting anders dan voor de normale burgers, maar dat betekent niet dat zij hun eigen organisatie professioneel mogen vertegenwoordigen.”

Zelf zou zij het anders aanpakken, een draai van 180 graden noemt ze het zelf. Karabulut zou juist wél aan de kamer vertellen waarom ze aan missies deelneemt en welke risico’s er aan verbonden zijn. “Ik zou iemand vanuit defensie het woord laten doen in de kamer, iemand die goed kan uitleggen wat gepland staat en het achteraf kan verantwoorden.” Volgens de Tweede Kamerlid is het ook mogelijk om defensie op deze manier transparanter te krijgen, maar is er een grote verandering nodig binnen de organisatie. “Je merkt een groot verschil op het moment dat ik met hoge ambtenaren in gesprek ga en dat er een gesloten houding is. Met lagere rangen is dat niet zo, terwijl zij juist de eerlijke informatie door kunnen communiceren.”