‘Kinderen zeggen niet: ik heb een probleem en daarmee wil ik naar een psycholoog’

Tachtig procent van de kinderen met een angststoornis ontvangt geen hulp. Psychologe Maaike Holster (36), medeoprichtster van Talk Psychologenpraktijk, reageert hierop. ‘‘Ik ben zeer verbaasd dat het tachtig procent is, het lijkt me zelfs sterk.’’

Angststoornissen zijn de vaakst voorkomende psychiatrische stoornissen op de kinderleeftijd: 15 tot 20% van de kinderen krijgt er voor het 18de levensjaar mee te maken. Maar om welke angst gaat het hier nou vooral? ‘’Uit mijn eigen ervaring zie ik vooral veel faalangst. Bij pubers zie ik vooral veel sociale angst. Iedereen is wel eens onzeker over wat anderen van hen denken, maar als je daardoor bijvoorbeeld niet op stap durft, gaat het echt naar sociale angst. Ook fobieën, zoals hondenfobie en separatieangst, bang om van de ouders gescheiden te worden, kom ik veel tegen.’’

Holster denkt dat een angststoornis het vaakst voorkomt, omdat angst een primaire emotie is. ‘Het heeft natuurlijk ook een hele belangrijke functie; angst zorgt ervoor dat daar waar gevaar dreigt, wij goed reageren. Het is zo’n fundamenteel systeem, in tegenstelling tot bijvoorbeeld depressie.’’  Wat ook bijdraagt is de ingewikkelde maatschappij voor kinderen tegenwoordig. Vroeger sportte je als kind één keer per week en ging je in het weekend mee op visite. Tegenwoordig worden kinderen overal mee naar toe gesleept. ’s Ochtends naar oma, ’s avonds een barbecue en de volgende ochtend weer voetbal. Dit zorgt voor onrust bij kinderen, wat niet meehelpt om je goed te voelen en stevig in je schoenen te staan.

Dat tachtig procent van de kinderen geen hulp krijgt, vindt Holster verbazingwekkend. In het artikel waarin Lisbeth Utens, bijzonder hoogleraar aan de UvA, aan het woord is en met dit gegeven komt, staat geen verklaring. Ook staat er nergens waar zij die gegevens vandaan haalt. ’’Ik kan het me eigenlijk bijna niet voorstellen. Ik weet dat er in de jeugdzorg dingen beter kunnen; de wachtrijen zijn enorm lang. In de meeste gevallen neemt angst alleen maar toe als je er niks aan doet. Ook kun je het verbloemen. Het is daardoor voor ouders niet goed zichtbaar. Er zijn weinig kinderen die zeggen: ik heb een probleem en daarmee wil ik naar een psycholoog. Het moet toch van ouders komen. Ook denk ik dat er nog best veel ouders zijn die zeggen: stel je niet aan. Maar als het eenmaal in je zit is het moeilijk er af te komen. Dat is een stukje onbegrip.’’
Hierbij komt dat kinderen van nu een hoge prestatiedruk hebben, ze zijn opgeroeid met de gedachte ‘als ik het wil, lukt het ook’. Als er dan toch iets ‘mis’ met je is, is het moeilijk je daar kwetsbaar over op te stellen.

Je hebt pas een angststoornis als de angst je belemmert in het dagelijks leven. Holster legt uit hoe deze diagnose gesteld wordt: ‘’Meestal gaan ouders eerst naar de huisarts, die dan denkt: dit is wel meer dan iets dat vanzelf over gaat. Dan komen ze naar ons en houden we een intakegesprek. Hierin horen we van de ouders wat de klachten zijn van het kind, vragen we aan het kind zelf wat zijn of haar klachten zijn en soms laten we ze vragenlijsten invullen.’’ Het echte vaststellen gebeurt in het begin door de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) te raadplegen. Hierin staan alle psychische stoornissen, waarbij je per stoornis de criteria langs kan lopen. Een kind moet aan een aantal criteria voldoen, waarna je kan constateren of het om een angststoornis gaat. Ervaren psychologen merken het echter ook zonder dit boekje snel. ‘’Ik vind het niet moeilijk om vast te stellen, het is altijd wel vrij duidelijk. Angst is heel voelbaar, dus op het moment dat een kind met veel angst bij je zit, merk je dat goed. Als het kind er helemaal niet over wil praten of juist begint te huilen als je erover begint, zie je dat vrij snel.’’

De gevolgen voor kinderen met een angststoornis later kunnen best groot zijn. ‘’Het kan je echt belemmeren op sociaal gebied. Dat je daar bijvoorbeeld je studiekeuze op aanpast; je wil journalist worden maar vindt contact met mensen zo eng dat je het toch niet doet. Dat kan je dus je hele leven achtervolgen. Zo is dat ook met faalangst: de prestatiedruk zal je niet laten doen wat je kan.’’

Wat er ook bij komt is comorbiditeit; dat je een tweede stoornis ontwikkelt op het moment dat je bang bent, jezelf terugtrekt, je niet goed voelt en je onzeker bent. Dan wordt het risico van een depressie ook alleen maar groter.

Daarom is er op tijd bij zijn met therapie belangrijk. Op deze manier leer je nu met je stoornis om te gaan, maar herken je het ook sneller bij jezelf als het nog een keer gebeurt. Dat betekent niet dat als je op jonge leeftijd therapie hebt, het nooit meer kan gebeuren. Je zult het alleen sneller zien en besluiten dat je er iets mee moet doen. De therapie die het meest gebruikt wordt en het effectiefst is, is Cognitieve Gedragstherapie (CGT). Deel één is het praten over en oefenen met de gedachtes; waarom ben je bang om te falen en hoe kan je dit zelf relativeren? Deel twee is het blootstellen: ga maar doen wat je zo eng vindt.

Wat niet helpt is als ouder extreem rekening houden met je kind. Hierdoor geef je je kind de ruimte om de angst te vermijden. Als ouders dit doen, bevestigen ze de angst. Hierdoor wordt het alleen maar erger: het kind leert en nooit mee om te gaan.

Over hoe we er voor zorgen dat meer kinderen hulp krijgen, is Holster duidelijk. ‘’Ik ben heel erg voor bekendheid in de maatschappij over angststoornissen. Er is al veel veranderd, er wordt meer aan gewerkt, maar het kan beter. Als je het herkent, kan je de stap naar hulp nemen.’’