‘Na Beijing zou ik rustiger aan doen, dat was een vergissing’

Laura de Vaan is sinds een val van de trap in 1996 gebonden aan een rolstoel. Haar diagnose (posttraumatische dystrofie) veroorzaakte veel pijn in haar benen, maar dit hield haar niet tegen om door te gaan met sporten. Sinds haar kennismaking met handbiken heeft de Vaan veel successen geboekt en heeft ze Nederland meerde malen mogen representeren op de Paralympische Spelen. In onderstaand interview vertelt de Vaan over haar ervaringen en de weg die ze heeft afgelegd naar de top.

Op je zestiende ben je door het missen van een traptrede in een rolstoel terecht gekomen. Hoe ben je hiermee omgegaan?
“Op dat moment was ik pas 16, maar was het ook een moment waarin de diagnose voor mij, ik zou bijna zeggen, makkelijk was. Doordat ik nog op school zat bleef ik in een vast ritme. Ziekenhuisopnames en behandelingen plande ik zoveel mogelijk in de vakanties. De diagnose heeft natuurlijk een enorme invloed gehad, maar het schoolleven ging gewoon door.
Pas toen ik ging studeren werd het lastiger. Doordat ik meer klachten kreeg kon ik niet op kamers blijven wonen waardoor ik mijn studie niet kon voortzetten. Dit viel een stuk zwaarder omdat ik niet langer een vast patroon had waaraan ik mij kon vasthouden, maar dit is gelukkig allemaal nog goed gekomen.”

In 2004 reed je voor het eerst met een handbike en slechts 3 jaar later was je gekwalificeerd voor de Paralympische Spelen in Beijing. Hoe is dit zo snel verlopen?
“Het is me eigenlijk gewoon overkomen. Ik was aan het trainen en dat ging allemaal wel goed. Ik zei voor die wedstrijd in 2007 dat ik uit mijn slof zou moeten schieten wilde ik mezelf überhaupt kunnen kwalificeren. Ik moest namelijk op de vierde plaats eindigen en dat leek me een lastige opgave, maar het was me toch gelukt. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest met een vierde plaats. Normaal gesproken is dat een hele vervelende plek is om te eindigen, maar op dat moment voelde dat voor mij niet zo. Het is allemaal heel snel gegaan. Ik ben op een hoger niveau gaan trainen en voordat ik aan Beijing had deelgenomen zei ik: ‘Na Beijing vind ik het wel mooi geweest en ga ik weer wat rustiger aan doen.’ Dat was dus een vergissing.
Na Beijing dacht ik: ‘Dit was leuk, maar in Londen wil ik voor de medailles meedoen.’ Dit is ook gelukt. Ik heb toen brons gewonnen bij de tijdrit en zilver bij de wegwedstrijd.’’

Op jouw website staat vermeld dat je na het ongeluk eerder weer aan het sporten was dan dat je een gewone rolstoel had om je te verplaatsen. Waar kwam deze gedrevenheid om zo snel weer te gaan sporten vandaan?
“Ik denk dat die gedrevenheid er bij mij sowieso in zit. Ik werd heel chagrijnig toen ik niet kon sporten.  In eerste instantie was het nog niet duidelijk of de diagnose vrijblijvend zou zijn en ik überhaupt een rolstoel nodig zou hebben voor de rest van mijn leven. Van kennissen kon ik toen een rolstoel lenen en zij waren ook degenen die mij vertelden over rolstoeltennis. Toen dacht ik ‘dan kan ik in ieder geval weer iets doen, dus laten we dat uitproberen.’’’

 Naast rolstoeltennis heb je meerdere rolstoelsporten geprobeerd. Wat heeft handbiken wat een andere rolstoelsport niet heeft?
“Handbiken heeft voor mij een houding waarin ik goed kan zitten. Met rolstoeltennis gebeurde het regelmatig dat ik met het slaan van de backhand tegen mijn eigen knie aansloeg. Dat deed ontzettend veel pijn. Dat maakte dat ik opzoek ging naar iets anders. Ik kende het handbiken wel als een middel aan mijn rolstoel om van A naar B te komen, maar ik had niet bedacht dat het ook een sport zou kunnen zijn. Toen ik er van hoorde ben ik eens gaan kijken. Ik kon gewoon met mijn benen vooruit zitten, maar de houding was niet heel erg fijn, maar goed, met dystrofie is niks in eerste instantie heel fijn. Het leverde mij in ieder geval geen extra pijn op. Doordat de houding mij uiteindelijk beviel, ik het leuk vond en het ook niet heel slecht ging ben ik bij het handbiken gebleven en ben ik niet verder gaan kijken naar andere rolstoelsporten.”

Zou je kunnen zeggen dat sport toen al jouw passie was?
“Ik ben altijd wel bezig geweest met sport en heb het altijd leuk gevonden. Ik had nooit gedacht aan topsport, maar ik hield wel van sporten met een competitie-element. Ik wilde altijd wedstrijdjes spelen, al was het de clubcompetitie, dat maakte voor mij niks uit. Het is niet zo dat ik altijd moet winnen. Trainen is leuk, maar door de competitie heeft het trainen ook een doel.”

Je eerste titel als wereldkampioen heb je behaald in 2011 in Segovia. Kun je omschrijven wat er door je heen ging toen je erachter kwam dat je gewonnen had en het Wilhelmus voor het eerst ten ere van jou werd afgespeeld?
“Het was best wel emotioneel. Mijn vader had staan klokken en hij was degene die naar mij was toegerend om te vertellen dat ik het gehaald had op 4 seconden. Dat is erg weinig op van een rit van 15 kilometer, maar dat maakte mij niet uit, ik had het gehaald. Het was echt fantastisch om daar op dat podium te staan en het Wilhelmus te horen. Dat voelde wel een beetje onrealistisch.”

 Vanaf dat moment ben je flink wat titels rijker geworden en heb je Nederland mogen vertegenwoordigen tijdens de Paralympische Spelen in Beijing, London en Rio de Janeiro. Kunnen we jou weer verwachten in Tokyo tijdens de Spelen van 2020?
“Een definitief antwoord kan ik daar nog niet op geven, maar met de plannen die ik aan het maken ben gaat het gaat wel die kant op. Ik moet natuurlijk wel fit blijven en in 2019 nog mee kunnen draaien in de top om me te kunnen kwalificeren.
In 2019 zijn de wereldkampioenschappen in Nederland. Dus het zo mooi zijn als ik daaraan kan deelnemen en het jaar daarop naar Tokyo kan om mee te doen aan de Spelen.”

 Het is nu 20 jaar geleden sinds het incident dat jouw leven in veel opzichten veranderd heeft. Als het ongeluk nooit gebeurd zou zijn, denk je dat je dan ook zo actief met sport bezig zou zijn?
“Ik zou ik nooit topsport gedaan hebben en had dan nooit aan de Spelen deel kunnen nemen als het ongeluk niet gebeurd was. Sport was dan niet mijn werk zoals het nu feitelijk wel is, maar ik zou er zeker wel mee bezig zijn.”