De barre tocht van Jumaa

Op een donkere, koude donderdagavond 25 november loop ik binnen bij de Hergerborch. Dit voormalige bejaardentehuis in Berkel en Rodenrijs is de afgelopen maanden ingrijpend verbouwd en biedt tegenwoordig plaats aan 40 Syrische vluchtelingen. Ik tref het, want op deze avond is er een bijeenkomst georganiseerd tussen de vluchtelingen, omwonenden en vrijwilligers die de afgelopen maanden veel hebben betekend voor hun nieuwe ‘buren’. Na een heerlijke maaltijd met Syrische specialiteiten en veel gelach en gedans met de aanwezigen om hun aandacht te verleggen van de pijn, spreek ik met Jumaa. Hij vertelt mij in het Engels over de barre tocht die hij de afgelopen jaren heeft gemaakt.  

 

“Mijn naam is Jumaa Ammo el Ahmad. Ik kom uit Kobanî, een stad in het noorden van Syrië. Ik ben van Koerdische afkomst, net zoals de meesten uit mijn stad. Toen de oorlog in mijn land uitbrak, vooral in de stad waar ik leefde, vluchtten wij met de hele familie naar Turkije. Dit was in september 2014. Na een half jaar was de rust wedergekeerd in Kobanî en keerde mijn familie terug. Ikzelf ging niet mee, omdat het te gevaarlijk was. Ik was als jonge man een makkelijke prooi voor verschillende partijen, die mij zouden gebruiken als mankracht in de oorlog. In Turkije kon ik ook niet blijven, want daar waren de levensomstandigheden zwaar en moest ik elke dag van de week werken, ook in het weekend en zeer lange tijden. Als ik niet zou werken, mocht ik er ook niet wonen. Het feit dat ik van Koerdische afkomst ben hielp ook niet mee. Ik wilde niet terug naar Syrië, kon niet blijven in Turkije, dus moest ik verder.

 

Ik sprak met mijn neef en vriend Mohamed, die samen met mij voor hetzelfde dilemma had gestaan, af om samen naar Europa te reizen. We gingen naar zee en zochten contact met mensen die voor ons de overstap naar Europa mogelijk konden maken. Dit waren gekken, die alleen maar dachten aan het geld, voor hen waren wij pure handelswaar. We vertrokken uit Izmir en bleven een week op zee, zonder eten, drinken of enige vorm van beschutting. De poging Griekenland te bereiken mislukte en we keerden terug in Izmir. We trokken verder naar Istanbul en spraken andere mensen die ons wilden helpen de oversteek te maken. Met 40 personen zaten we in een boot. Het was erg moeilijk, maar je kon er niets aan doen. Na drie dagen op zee kwamen we aan op Lesbos, bij de stad Mytilini.

 

 

Op Lesbos kwamen we terecht in een vluchtelingenkamp, waar ongeveer 5000 mensen zaten. We schreven onze naam op en maakten een foto om zo aan een reisdocument te komen. Dit hadden we nodig om naar andere landen te reizen. Daarna ging het vrij snel. Binnen twee dagen kwamen we via Athene en Macedonië in Servië. In alle drie de landen kregen we snel toestemming om door te reizen en zo hoefden we niet lang op één plek te blijven. Toen we in Hongarije kwamen was de situatie heel anders. Hier was het veel zwaarder, misschien nog wel erger dan in Turkije. De politie, maar ook het volk, leken vluchtelingen niet te mogen en we voelden ons niet welkom. Er was helaas maar één mogelijkheid om verder te komen en dat was deze.

 

We reisden vooral ‘s nachts, want de Hongaren maakten het ons erg moeilijk. We waren vrij om te bewegen, maar zodra je gepakt werd door de politie, werd je in een kamp gestopt. Als je daar terecht kwam, was het onmogelijk om naar een ander land te reizen. Samen met Mohamed en nog vier mannen ontsnapten we aan de aandacht van de autoriteiten en konden we wegkomen. We verstopten ons in de bossen en in de nacht reisden we verder te voet. Na enkele dagen kwamen we bij een drukke weg en probeerden we taxi’s en bussen aan te houden, maar ze stopten niet.

 

 

Toen stopte er politie. Ze richtten hun pistool op ons en riepen: “Don’t move! Stay!” Ik bleef stokstijf staan, maar toen ik omkeek, zag ik dat Mohamed en de anderen allemaal een andere kant op renden. Toen begon ik ook te rennen. Ik besefte dat ze ons nooit allemaal konden stoppen, dus rende ik ver terug de bossen in. Ik vond mijn vriend Mohamed na een lange tijd terug, de rest heb ik nooit meer gezien. We liepen samen verder op zoek naar een dorp of stad en kwamen uiteindelijk aan in een klein dorp. Daar ontmoetten we een behulpzame man die ons met een taxi naar Budapest bracht.

 

Toen we daar aankwamen zaten alle hotels vol, dus sliep ik in de buitenlucht, op een parkeerplaats met vele anderen. Na zes dagen buiten slapen, werd bekend dat er treinen zouden gaan rijden vanaf het Keleti Station in Boedapest. Wij gingen naar het station en elke vluchteling die in Boedapest zat, kwam daar ook heen. In het hele station stonden ongeveer 10.000 vluchtelingen die allemaal weg wilden uit Hongarije. Er waren echter veel te weinig treinen dus bleef ik drie dagen op het station. Uiteindelijk kwam ik samen met Mohamed in een trein terecht, zonder te weten waar deze naartoe ging, maar we moesten gewoon weg uit Boedapest.

 

De trein werd na een tijdje tegengehouden en we konden geen kant op. We werden bewaakt door de politie en zaten twee dagen zonder eten en drinken vast. Er gebeurde niets, dus wisten we dat we iets moesten doen en weg moesten uit de trein. Dus besloten we allemaal te gaan lopen, alleen was dit niet voor iedereen mogelijk, want er waren veel kleine kinderen, vrouwen en oude mensen. Mijn vriend en ik hielpen een vrouw met haar kinderen, maar toen kwam de politie er aan. De helft was al weggekomen en de helft werd tegengehouden, wij zaten bij de laatste groep. Dus moesten we weer terug de trein in en de politie begon van iedereen de pas in te nemen om ze te deporteren naar een kamp.

 

Wij moesten daar ook naar toe, maar na twee dagen ontsnapten we uit het kamp en keerden we terug naar het treinstation. Er waren nog maar heel weinig mensen en we hoorden dat het mogelijk was om in Oostenrijk te komen. Het ging verrassend makkelijk en toen we in Oostenrijk aankwamen, werden we welkom geheten en kregen we eten en een slaapplaats in hotels. De volgende dag vertelde Mohamed dat hij naar Duitsland of Engeland wilde, maar ik wilde dat niet. Ik zei dat ik hier bleef. We wisselden telefoonnummers uit en de volgende dag vertrok hij.

 

Ik belde met mijn familie om te vragen wat ik moest doen. Ik wilde naar een rustig land en ze vertelden mij dat ik naar Nederland moest gaan. De Oostenrijkse regering betaalde mijn treinkaartje en ik reisde via Düsseldorf naar Amsterdam. Daar meldde ik mij bij de politie, kreeg ik een dagkaart en kwam ik terecht in het AZC in Ter Apel. Daar gaf ik al mijn gegevens en vertelde waarom en hoe ik hier was gekomen. Ik heb daarna in verschillende AZC’s gezeten en uiteindelijk kreeg ik in Doetinchem te horen dat ik op 7 september in Berkel kon gaan wonen. Ik woon hier nu 2 maanden en heb het erg naar mijn zin.

 

Ik hoop hier een nieuw leven op te kunnen bouwen. Ik volg inmiddels Nederlandse les en hoop snel aan het werk te kunnen. In Syrië was ik röntgentechnicus in ziekenhuizen en studeerde ik aan de universiteit van Aleppo. Ik hoop dat ik mijn diploma kan gebruiken in Nederland, maar ik probeer eerst goed Nederlands te kunnen spreken. Gelukkig heb ik nu een woning en ben ik veel onzekerheid kwijt, waardoor ik in relatieve rust kan werken aan mijn toekomst.“

Door: Sebas Maasland – Bergschenhoek