In hoeverre is de omgeving van een dader van invloed op crimineel gedrag?

Props FHJ 2018

De criminaliteit is een belangrijk thema binnen de politiek. De meningen over hoe hard een dader gestraft moet worden, lopen sterk uiteen. Criminologen blijven zich afvragen hoe het komt dat mensen geneigd zijn tot crimineel gedrag. Ligt het aan hun opvoeding, of zijn criminelen toegeschreven aan hun gedrag doordat het simpelweg genetisch bepaald is? Criminoloog Pepijn Granade (23), afgestudeerd aan de universiteit van Leiden, vertelt uitgebreid over dit debat. Hij brengt de theorie van Moffitt (wordt beschreven waarom jongeren beginnen met het plegen van delicten), jongeren die in de criminaliteit belanden en de neurocriminologie aan orde.

Gohar Hovanes 22 november 2018

Het nature-nurture debat

‘Dit debat gaat over de discussie of iets is aangeboren of aangeleerd. Er wordt gezocht naar hoe het komt dat een persoon bepaalde eigenschappen bezit. Mensen verrichten bepaalde handelingen doordat het in hun DNA (nature) zit. Maar de omgeving (nurture) waarin iemand opgroeit, heeft ook wel degelijk invloed. Er zijn meerdere standpunten in deze discussie. Sommige denken dat de oorsprong van de eigenschappen van een persoon volledig aangeboren is. Andere zoeken de oorsprong in de omgeving van de persoon. Er is veel onderzoek gedaan naar hoe omgeving en het DNA invloed heeft op het brein.’

 

Kunnen we direct vanaf onze geboorte weten of iemand gaat eindigen als crimineel?

 

Toegeven aan de verleiding

‘Sommige mensen zijn meer op zoek naar spanning dan anderen. De mate waarin mensen een voorkeur hebben voor zintuiglijke prikkels verschilt. Sommigen houden van sterke prikkels, anderen juist weer niet. Een voorkeur voor sterke prikkels kan samengaan met een zucht naar avontuur en nieuwe ervaringen. De behoefte aan spanning is een gen-omgevingsinteractie. De spanningsbehoefte is de uitkomst van een functie die tekort komt (een afwijkend brein) in combinatie met omgevingsfactoren. Mensen met een genetische afwijking zijn gevoeliger voor negatieve prikkels uit de omgeving. We kunnen dus niet direct vanaf onze geboorte weten of we gaan eindigen als crimineel. Het heeft niet alleen met je afwijkend brein te maken, maar ook met je omgeving. Die omgeving wordt niet vanaf je geboorte bepaald’.

 

 

Jongeren en criminaliteit

‘De neurocriminologie is een nieuwe subdiscipline die de criminologie in verband brengt met de biologie. Het houdt zich bezig met de verschillende hersenfuncties en hoe dat met crimineel gedrag verband houdt. Door deze nieuwe subdiscipline is het voor wetenschappers duidelijker geworden waar je criminaliteit kunt terug vinden in je brein’.

 

‘De relatie tussen leeftijd en criminaliteit is terug te vinden in de age-crime curve. Volgens de age crime curve is er een piek bij adolescente jongeren als het gaat om criminaliteit. Wanneer je ouder wordt, pleeg je ook minder criminele daden. Wat interessant is bij het brein van adolescenten, is de prefrontale cortex. De prefrontale cortex is het gedeelte in je brein dat je ervan weerhoudt crimineel gedrag te vertonen. Het remt je behoeftes. Zelfcontrole is hier een voorbeeld van. Je zou graag iets willen stelen, maar je brein houdt je tegen. De prefrontale cortex kan qua volume en qua activiteit verschillen per persoon. De activiteit van een brein kan worden gemeten door scans. Door middel van deze scans zien we bijvoorbeeld dat de prefrontale cortex minder actief is bij volwassenen dan bij veroordeelde jonge delinquenten.                                                                                                        Naast de prefrontale cortex, is er nog een ander gedeelte van je hersenen dat invloed heeft op crimineel gedrag: de amygdala. Dit is het emotiecentrum van het brein. Je amygdala en prefrontale cortex werken samen. De prefrontale cortex is pas op je 22e ontwikkeld. Je amygdala daarentegen ontwikkelt zich heel snel. Wat we dus zien bij jongeren, is dat het emotiecentrum hierdoor achterloopt in ontwikkeling. Door deze disbalans kunnen je emoties minder goed geremd worden. Dit is een verklaring voor lage zelfcontrole onder jongeren. Door deze lage zelfcontrole plegen jongeren sneller delicten dan volwassenen’.

 

Jonge mannen

‘Sekse en leeftijd zijn demografische risicofactoren. Volgens de age-crime curve lopen jonge mannen grotere risico op criminaliteit. Dit verloop wekt veel interesse op. Criminologen proberen dit te verklaren’.

 

We weten dat jonge mannen vaker delicten plegen, maar waarom is dit zo?

 

De dual taxonomy theory van Moffitt

‘De theorie van Moffit was de eerste theorie waarin beschreven werd waarom jongeren beginnen met het plegen van delicten. Volgens de dual taxonomy theory van Moffit, kun je criminelen grofweg verdelen in twee groepen. De ene groep mensen blijft hun hele leven lang delicten plegen. Zij gaan dus door na hun adolescentie. De andere groep pleegt alleen delicten tijdens hun adolescentie en stoppen daarna.’

 

Waarom stoppen jongeren, waarom gaan ze door?

 

‘De groep die na hun adolescentie stopt, doet dit volgens Moffit door de sociale binding met de maatschappij. Op het moment dat de persoon een sociale binding heeft met de confessionele samenleving, werkt dit remmend op criminaliteit.

Er zijn ook mensen die hun hele leven lang crimineel zijn. Dit kan bijvoorbeeld komen door labeling. De maatschappij drukt als het ware het etiket ‘crimineel’ op het voorhoofd van de dader. Hierdoor is hij sneller geneigd door te gaan met het plegen van delicten. Maar niet alleen sociale factoren spelen een rol.

De langdurige criminelen kennen ook neurologische tekortkomingen. Mensen met een kleinere of minder actieve amygdala, kunnen minder goed emoties herkennen. Er ontstaat een gebrek aan empathie bij deze mensen, wat dus ook criminaliteit in de hand werkt’.

 

Er zijn gedeeltes in je brein die je van criminaliteit weerhouden. Mensen met een afwijkend brein, kennen een groter behoefte naar spanning. Deze groep pleegt sneller delicten dan mensen zonder deze afwijking. Hier bij speelt de omgeving een grote rol. Het is een gen-omgevingsinteractie. De sociale binding met de maatschappij werkt remmend op criminaliteit. Labeling daarentegen kan er voor zorgen dat mensen hun hele leven lang crimineel zijn. Al met al kan geconcludeerd worden dat de nature en nurture zijde veel invloed op elkaar uitoefenen. Het is nog onduidelijk welk gedeelte het meest op weegt. Beiden kanten hebben een sterk aanwinst in het criminele gedrag.