‘WE GAAN DE KINDERSTERFTE NIET OP NUL KRIJGEN’

14-01-2020 | Isis Bakkers


In 2018 overleden in Nederland tijdens de zwangerschap of direct naar de geboorte 1288 baby’s. Wanneer een kindje jonger dan 24 weken zwangerschap geboren wordt, mogen de artsen en de verlos- en verpleegkundigen niets doen. Experts denken dat het aantal sterfgevallen nog zeker met tweehonderd baby’s per jaar verlaagd kan worden. Verloskundige Esther Verhaegen (52) doet er alles aan om het aantal sterfgevallen zo laag mogelijk te houden.

Kinderen die te vroeg worden geboren, kunnen verschillende complicaties krijgen. Denk hierbij aan infecties en aan hart-, hersen, ademhalings- en voedingsproblemen. Na de bevalling worden de ouders en het kindje meteen geconfronteerd met medisch handelen. Dit kan onrust veroorzaken, maar er is wel een kans dat het kindje het overleeft.

Verhaegen is niet geschoold als echoscopiste, maar ze maakt wél echo’s tijdens de spoeddiensten. Dit zijn de avond-, nacht-, en weekenddiensten. Ze kijkt dan of het hartje klopt, of de ledematen bewegen, of er een bloeding te zien is achter de placenta en of de baarmoedermond goed gesloten en lang genoeg is. Zodra ze ziet dat er iets niet goed is, zegt ze dat meteen. “Ik vind dat mensen het recht hebben om te weten wat en waarom er iets aan de hand is”, aldus Verhaegen. “Slecht nieuws leg ik meteen neer en ik draai er niet omheen.”

“Drie jaar geleden heb ik één week lang een vrouw begeleid die last had van buikpijn en bloedverlies. Ze was iets meer dan 23 weken zwanger en ik heb haar medicijnen gegeven om de bevalling uit te stellen tot na de 24 weken. Tevergeefs, want uiteindelijk is het kindje geboren bij 23 weken en 4 dagen zwangerschap. Dit betekende dat het kindje niet gered kon worden. Vanaf het moment dat de bevalling begon, wisten de ouders dat er niets geks aan hun kindje te zien zou zijn. Er werd een schitterend miniatuurkindje geboren, maar het enige wat we konden doen, was het kindje rustig laten overlijden. Het is heel cru om niet te handelen, maar aan de andere kant heeft het iets heel sereens. Afscheid nemen is iets wat bij het leven hoort, óók op momenten dat je het niet zou willen.”

“Het is zo dubbel en het blijft me nog steeds raken”, vervolgt Verhaegen, terwijl ze de tranen van haar wangen veegt. “Ik gun mensen zó die kans op hun kindje, maar ik weet ook dat de grens van 24 weken niet heiligmakend is. De ouders zouden mogelijk een zwaar beperkt kindje kunnen krijgen, wat je als ouders misschien niet voor je kind zou willen. Het heeft dus ergens iets helends om te zeggen dat er een grens is.”


Trainingen en steun
Bij een bevalling is er standaard een verloskundige of een gynaecoloog aanwezig, met daarbij een kraamverzorgster of een verpleegkundige. Wanneer er iets fout dreigt te gaan tijdens de bevalling, drukt Verhaegen direct de noodbel in. Alle werknemers op de afdeling komen dan naar de kamer waar ze zich bevindt. Op dat moment kunnen er zo’n acht verpleegkundigen in de ruimte staan. Verhaegen verdeelt dan de rollen en stuurt iedereen aan.

Soms moeten verloskundigen een kindje reanimeren. Het komt voor dat zij vooraf al weten dat er geen hartactie meer aanwezig is. Echter mag de reanimatie alleen stoppen als hiervoor toestemming is gegeven door een kinderarts.

Door trainingen met het team waarin Verhaegen werkt, weet ze hoe ze te werk kan gaan in een noodsituatie. Ze oefenen met levensechte situaties. Zo leren zij hoe ze in de praktijk kunnen handelen. Ook is de impact van situaties op iedereen anders. Een aantal collega’s van Verhaegen vindt het belangrijk dat werknemers de mogelijkheid hebben om zich te uiten over situaties die zij moeilijk vinden. Daarom zijn zij bezig met het oprichten van een groep met mensen, die geschoold zijn in het mentaal ondersteunen van werknemers.

“Het meeste last heb ik van dingen waarvan ik denk ‘had ik maar – was ik maar – deed ik maar’. Ik heb dan het gevoel dat ik niet alles heb gedaan wat ik kon doen of had moeten doen. Op zulke momenten kan ik me zeker schuldig voelen over sommige situaties. Ik weet dat het niet mijn schuld is, maar er zijn momenten geweest waarop ik nu anders zou handelen en een kindje kan redden. Dit komt doordat de protocollen en mijn inzichten zijn veranderd.”

 

“Het meeste last heb ik van dingen
waarvan ik denk
‘had ik maar – was ik maar – deed ik maar’.”

 

De grens in de verloskunde
“Mensen hebben het recht om positief terug te kunnen kijken op de geboorte van hun kind. Door een tekort aan personeel, ligt er een grote druk op het werk en zijn we vaak heen en weer aan het rennen op de afdeling. Het komt voor dat ik na een drukke dienst gefrustreerd thuiskom, omdat ik dan het gevoel heb dat ik mijn cliënten niet genoeg aandacht heb kunnen geven. Als dit gevoel te vaak voor gaat komen, dan is dat het moment waarop ik bedank voor het werk.”

Het technische deel van de verloskunde in combinatie met de omgang met mensen zijn twee dingen die het vak voor Verhaegen boeiend maken. Als verloskundige geeft ze iemand de ruimte om haar eigen keuzes te maken. Eventueel geeft ze hierin adviezen. Verhaegen vervolgt: “Er zijn vrouwen die onzeker zijn of ze de bevalling wel aankunnen, waardoor ze de hele bevalling al gepland hebben zoals zij willen. Het geeft voldoening als ik een vrouw tijdens een bevalling in haar kracht kan zetten, waarna ze trots is op haar prestatie. Ik zal altijd verloskundige willen blijven. Zélfs wanneer een bevalling niet goed gaat, geeft het ook voldoening als ik het idee heb dat ik het goed heb kunnen begeleiden.”


*Om elke vorm van herleidbaarheid te voorkomen, is de naam van de verloskundige gefingeerd.*