‘Toen mijn kinderen trouwde, was ik alleen. Toen mijn kinderen zelf kinderen kregen, was ik alleen’

In Nederland voelt meer dan de helft van de bevolking ouder dan 75 jaar zich weleens eenzaam. Veel ouderen kiezen er niet voor om eenzaam te zijn, maar kunnen bijvoorbeeld niet meer goed lopen of hebben haast geen vrienden. Corry van Leijsen (81) voelt zich niet eenzaam, maar ziet wel dat velen om haar heen zich zo voelen.

Faye van Os 13 januari 2020 – de Volkskrant

Corry is 81 jaar oud en heeft tot haar zestigste gewerkt als verpleegkundige. Ze begon haar loopbaan in het ziekenhuis. Nadat ze kinderen kreeg begon ze in de thuiszorg, niet zozeer om te poetsen maar meer om een luisterend oor te zijn voor mensen en ze te helpen om weer eens naar buiten te gaan.

‘In het appartementencomplex waar ik woon merk ik niet zoveel eenzaamheid onder de bewoners. In onze kerk merk ik wel veel eenzaamheid onder de ouderen. Ik bezoek mensen die rouwen. Ik ben namelijk al op jonge leeftijd mijn vader verloren. Sinds dat mijn vader overleed ben ik begonnen met dit werk; ik doe het al ruim veertig jaar. Ik zeg altijd dat ik het mooiste werk van de parochie heb omdat mensen zo blij zijn als je langskomt. Voor veel mensen moet het rouwen altijd zo snel mogelijk over zijn maar dat is niet zo want je rouwt levenslang. De mensen bij wie ik langs ga zijn vaak ook heel erg eenzaam maar ze weten dat als ik er ben dat ze met mij over hun overledenen kunnen praten.’


Beeld: Corry van Leijsen

Tegenwoordig worden veel verzorgingstehuizen gesloten omdat volgens het kabinetsbeleid ouderen langer zelfstandig moeten blijven wonen. Ouderen die lichtste zorg nodig hebben konden sinds 1 januari 2014 al niet meer terecht in verzorgingshuizen. Corry begrijpt dit niet, hierdoor neemt de eenzaamheid nog meer toe. De verzorgingshuizen zijn er juist om bewoners onderling meer met elkaar in contact te brengen.

‘Mijn man is overleden toen hij 49 was. Hij ligt begraven op het kerkhof. Mijn dochter was ooit op het kerkhof bij haar vader kijken en toen sprak ze een man, Jan heette hij, zijn vrouw lag naast mijn man begraven. Hij vroeg toen aan Anne-Marie (mijn dochter) wat zij vond van een cursus rouwverwerking, mijn dochter moedigde dit aan en niet veel later stond hij bij mij voor de deur, of ik dat met hem samen wilde doen. Dat zijn mijn rouwjaren geweest. Ik kon samen met hem rouwen, hij was mijn lotgenoot. Wij begrepen elkaar. Waar hij woonde, woonde ook een man wiens vrouw alvleesklierkanker had en zij wilde per se geen thuiszorg. Toen zei Jan: ‘oh maar Corry die gaat na haar nachtdienst nog wel even langs’, en ik deed dat dan ook. 6 januari 1995 stierf zij, en in die periode mijn (rouw) vriend ook.’

‘Mijn man en ik zeiden altijd tegen elkaar, als de kinderen uit huis zijn dan laten we een bungalow bouwen dus dat deed ik. Maar het was daar zo eenzaam en er werd veel ingebroken in de buurt. Toen bedacht ik me dat ik wel het huis wilde kopen van mijn overleden rouwvriend. Ik kocht dat huis en na 2 jaar begon ik een beetje op te trekken met die man wiens vrouw was overleden aan alvleesklierkanker. We hebben 4 jaar samengewoond en hij heeft ook nog een half jaar in dit appartementencomplex gewoond. Maar hij overleed ook, dat is nu ongeveer 5 jaar geleden. Als ik terugkijk op iedereen die ik ben verloren in mijn leven is het verlies van mijn man, dat was de liefde van mijn leven, het ergste verdriet.’

‘Hier in het appartementencomplex letten wij op elkaar, we houden elkaar in de gaten. Als ik bijvoorbeeld zie dat iemand al een tijdje niet buiten is geweest ga ik kijken wat er aan de hand is. Ik deel ook de krant met jouw oma, we hangen hem altijd bij elkaar op bij de voordeur zodra we hem hebben gelezen. Als bijvoorbeeld bij oma de krant na een tijdje nog steeds aan de voordeur hangt, dan gaan er bij mij alarmbellen rinkelen.’

‘Als ik bij mensen op bezoek ga vragen veel mij: ‘bent u ook alleen?’ Ik vertel ze dan dat ik ook alleen ben en dan hebben ze toch wat meer begrip voor je. Ik zie ze altijd schrikken als ik vertel dat mijn man op 49 jarige leeftijd overleed. Ik zeg altijd: ‘maak veel vrienden en zorg dat je een groot sociaal netwerk hebt’. Ik maak vaak genoeg mee dat mensen alleen achter blijven en vervolgens weinig tot geen familie of vrienden hebben omdat ze daar geen tijd in hebben geïnvesteerd.’

Namens de kerk worden ook nog veel dingen georganiseerd zoals: een koortje dat word opgericht of samen koffie drinken. Mensen gaan daar niet altijd heen om iets te doen maar om gewoon lekker naar elkaar te kunnen luisteren. Vaak is er eerst een dienst en daarna kan er koffie gedronken geworden. Voor velen is de dag dan al half voorbij. Als er meer van dit soort dingen worden georganiseerd zullen ouderen zich ook minder eenzaam gaan voelen.

‘Ik doe deze bezoekjes samen met nog iemand anders. Ikzelf bezoek tien adresjes. Ik bel om de tijd even om te checken of ze het nog fijn vinden als ik langskom en bijna wel iedereen wil dat dan. Maar tien adresjes is voor mij wel de max want ik heb zelf ook nog een druk leven met vriendinnen en familie.’

‘Ik heb ook een lezing gegeven over het rouwproces. Veel mensen die die lezing bezochten moesten toen heel erg huilen, ik niet. Bezoekers vragen zich dan af hoe ik nog kan leven aangezien ik drie mannen ben verloren in mijn leven. Ik heb een groot geloof en dat sterkt mij. Ik geloof honderd procent dat er een hiernamaals is en dat ik later mijn man en mijn vader zal herkennen. Ik heb hier geen leuk leven gehad. Ik heb ook tegen mijn kinderen gezegd: ‘geen borreltje drinken op mijn leven als ik er niet meer ben.’ Ik heb geen super leuk leven gehad. Het brengt namelijk enorm veel verdriet mee als je kinderen hun diploma moeten halen en mijn man er niet bij was. Toen mijn kinderen trouwde, ik was alleen. Toen mijn kinderen zelf kinderen kregen, weer alleen. Soms denk ik dan: ‘och Kees, wat zou je toch trots geweest zijn.’ Op dat soort moment voelde ik me heel erg eenzaam.’