Prins Karel Tellings: “Ik moet met spoed naar het paleis op Java komen”

Karel Tellings

DINSDAG 14 JANUARI 2020 | Rémi van Trigt

BARENDRECHT – Sprookjes bestaan toch. Wanneer men de woonkamer van Karel Tellings betreedt, hangt het bewijs aan de muur. Van oorkondes tot foto’s met belangrijke mensen. Indrukwekkend. Alleen de reden waarom deze hier hangen, is nog veel bijzonderder. Tellings is namelijk een teruggevonden Indonesische prins. Zijn levensverhaal is er één waar je mentaal erg sterk in je schoenen voor moet staan. Hij vertelt openhartig over zijn emotionele rollercoaster.

“Het is 27 februari 1942. Ik woon met mijn ouders in Indonesië. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken en mijn vader is werkzaam bij de marine. Tijdens die beruchte dag vaart hij op het oorlogsschip Hr.Ms De Ruyter bij de Slag in de Javazee. Het doel was om de Japanners voor de kust bij Java weg te houden, maar in plaats daarvan boort een torpedo zich in het schip. 345 mannen komen om, inclusief mijn vader. Ik ben dan één jaar oud en blijf alleen achter met mijn moeder.”

“Dat duurt niet lang, aangezien mijn moeder snel hertrouwt met een Chinees. Aan alles blijkt dat deze man mij niet mag. Op een gegeven moment zegt hij tegen mijn moeder: ‘als je met mij trouwt, wil ik die jongen niet hebben.’ Liefde maakt blind en ze zet mij op 4-jarige het huis uit. Dit heeft ontzettend veel pijn gedaan, maar er zit niks anders op dan door de stad te slenteren. Ik heb moeten accepteren dat ik mijn jeugd moest doorbrengen zonder ouders. Het feit dat ik nooit mijn vader goed heb gekend, heeft mij nog het meeste verdriet gedaan. Na een tijdje vindt de sultan mij op straat en neemt me mee naar een weeshuis. Daar zijn nog veel meer jongens die in dezelfde situatie zitten als ik. We krijgen gelukkig te eten, maar wat ze ons voorschotelen is niet erg veel. Ook gaan we naar een school die Nederlands onderwijs geeft; iets wat bijzonder is in een land met hele communistische partijen.”

“In het weeshuis krijg ik de “waarom” vraag maar niet uit mijn hoofd. Waarom heeft mijn moeder me uit huis gezet? Dus ik ben als nieuwsgierige jongen van een jaar of 5 stiekem teruggegaan naar het ouderlijk huis. Daar zit mijn moeder in de keuken en ik begin met haar te praten. Helaas is de Chinees ook thuis. De man ontdekt dat ik weer terug ben en vraagt kwaad wat ik hier kom doen. Voordat ik kan antwoorden, barst hij in woede uit en stopt mijn hoofd in een goot vol met schorpioenen. Mijn moeder staat op anderhalve meter afstand en beschermt mij niet. Integendeel, de woorden ‘eigen schuld’ rollen haar mond uit. Ik ben daarna opnieuw het huis uitgegooid en heb sindsdien nooit meer contact gehad met mijn moeder.”

“Jaren na deze ervaring heb ik mijn school afgerond. Door Nederlands onderwijs gevolgd te hebben, heeft de consul aan de pastoor gevraagd of ik naar Nederland mocht vertrekken. De pastoor heeft hier gehoor aan gegeven. Zodoende heb ik via de overheid een Nederlands paspoort kunnen bemachtigen om mijn thuisland Indonesië te verlaten. Eenmaal in Nederland aangekomen, is er veel gebeurd. Ik heb mijn vrouw ontmoet, een gezin gesticht en jaren bij de belastingdienst gewerkt.”

“Op het werk assisteer ik deurwaarders. Tijdens hun diensten leggen ze beslag op heel veel mooie spullen, die aan het einde van de rit worden weggegooid. Hartstikke zonde! Ik weet als geen ander hoe hard ze deze dingen aan de andere kant van de wereld kunnen gebruiken. Dit wetende vraag ik mijn baas of we de kleding niet beter op kunnen sturen naar arme landen. Hij reageert positief: ‘Natuurlijk mag je dit doen. Ze hebben niet betaald en het is nu in beslag gelegd.’ Zodoende krijg ik veel kleding, die ik opstuur naar derdewereldlanden. Vanaf 1972 zijn mijn vrouw en ik het pas echt groot gaan aanpakken. We hebben meerdere partijen in de gemeente benaderd om bij ons hun overgebleven kleding in te leveren. Na dat moment is het balletje alleen maar harder gaan rollen. Vrachtwagen na vrachtwagen rijdt tot op de dag van vandaag de loods binnen waar de kleding opgestapeld staat. Ik heb tot aan mijn pensioen het werk bij de belastingdienst en het kleding inzamelen kunnen combineren. Dat laatste blijf ik mooi vinden en dus doe ik dat nog steeds.”

“Alles lijkt z’n gangetje te gaan: ik heb een lieve vrouw aan mijn zijde, een mooi appartement in Barendrecht en een AOW. Maar op mijn 70e heb ik een brief gekregen wat heel dit leven ons zijn kop heeft gezet. Het ging als volgt: Er valt een brief op de deurmat. Ik raap hem op en zie dat er een koninklijke stempel op zit. Zo nieuwsgierig als ik ben loop ik naar mijn vrouw om het document samen met haar door te kunnen nemen. Ik moet 3 keer kijken om de inhoud tot me door te laten dringen. In de brief staat dat mijn overgrootmoeder een dochter was van de negende keizer van Surakarta. Met andere woorden: ik ben een verloren Indonesische prins en moet met spoed naar het paleis op Java komen. Bizar!”

“Halsoverkop vlieg ik terug naar het land waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Na een lange vliegreis zijn ik en mijn echtgenote direct beëdigd. Vanaf dat moment ben ik nummer vier in de troonopvolging van Surakarta. Een heel gek gevoel. Ik ben in armoede opgegroeid, maar nu, zeventig jaar later, loop ik als prins door het koninklijk paleis en alle mensen buigen voor me. Het is een wereld van verschil. Mijn vrouw heeft gelijk: God opent echt deuren. Echter is het niet zo dat ik wil verhuizen. Ik heb het naar mijn zin in Nederland en hoef alle rijkdom niet. Ik vind het belangrijker om nu met de hulp van de keizer mensen te kunnen helpen met kledingpakketten uit Nederland.”

“51 jaar lang heb ik dit werk samen met mijn vrouw mogen doen. Totdat er op 4 september 2019 bij mijn vrouw ongeneselijke leukemie wordt geconstateerd. Alsof dit niet genoeg is krijgt ze daarbovenop ook nog een herseninfarct, bloedarmoede en anderhalve liter vocht in haar longen. Mijn wereld stortte in en was ik enorm verdrietig. Na deze complicaties heb haar nog drie maanden thuis mogen verzorgen voordat ze overleed. Je weet dat het onomkeerbaar is, maar toch is het een gigantische klap geweest. Een troost is wel dat ze zelfs op haar sterfbed aan andere mensen bleef denken, wat aangeeft dat ze een powervrouw was. Ze zei voor haar dood tegen me: ‘Karel, als ik er niet meer ben, moet je gewoon de arme mensen blijven helpen.’ Daar houd ik me aan vast en ik ga door. Ook voor haar.”