Weinig erkenning voor veteranen: ‘De publieksvoorlichting blijft achter bij wat er werkelijk gebeurt in een oorlog’

Ferre van de Nadort is jurist in het Drentse Beilen. Hij zet zich sinds vijf jaar in voor oud-militairen, omdat hij vindt dat Defensie te weinig doet in de nazorg bij veteranen. ‘Er is te weinig erkenning voor de problemen waar militairen tijdens en na hun uitzending tegenaan lopen.’

Van de Nadort behandelt zo’n honderd oudgedienden vanuit z’n kantoor in Beilen. Aan de muur hangen grote foto’s van spelende kinderen in het Midden-Oosten, waar veel van de veteranen op uitzending zijn geweest. Ze helpen bij het verwerken van de gebeurtenissen, vindt Van de Nadort. ‘Bij de cliënten haalt het fijne herinneringen boven. Ik kan moeilijk een foto van een tank ophangen.’ 

Waarom zet u zich als jurist zo in voor goede nazorg bij veteranen?
‘’Ik heb voor Defensie gewerkt. Ik ben beroepsmilitair geweest en vanaf 1997 heb ik letselschadezaken voor Defensie gedaan. De PTSS-problematiek begon vlak voordat ik uit dienst ging, vanuit het Cambodja-klachtensyndroom (ook bekend als het Junglesyndroom, red.). En dat was het startpunt: de organisatie moest echt iets aan PTSS gaan doen.  Een jaar of vijf geleden wilde ik toch iets maatschappelijks gaan doen. Toen ben ik veteranen met PTSS gaan helpen.’’

Ferre van de Nadort

U heeft vorig jaar een meldpunt opgezet. Veteranen kunnen daar hun klachten kwijt. Wat hoopt u met dat meldpunt te bereiken?
‘’Wat ik een groot probleem vind, is dat Defensie relatief jonge mensen werft. De meesten zijn 17, 18. En de publieksvoorlichting over wat die jongens moeten doen, die blijft achter bij wat er werkelijk gebeurt. We sturen mensen gewoon een oorlog in. Ik hoop op deze manier voorlichting te geven over wat we nou werkelijk doen in het buitenland, zodat ze minder getraumatiseerd terugkomen.’’

‘Je komt terug uit een oorlog, maar mensen weten niet wat daar gebeurd is. Iedereen denkt: nou, lekker vakantie gehad’ 

En wat gaat er nu mis in die nazorg?
‘’We begeleiden nu meer dan honderd veteranen en ongeveer een derde hebben we van straat gehaald, die kunnen door hun problemen niet meer in de maatschappij leven. Er is nu een grote kloof. Je komt terug uit een oorlog, maar mensen weten niet wat daar gebeurd is. Dan kun je je verhaal niet kwijt. Iedereen denkt: nou, lekker vakantie gehad.’’

Er is geen erkenning?
‘’Nee, de ernst van het probleem wordt echt onderbelicht. Ik heb een voorbeeld. Ik behandel een militair die in dienst was in Afghanistan. Op een avond moest hij patrouilleren vanuit een huis. Aan de overkant zaten Afghaanse militairen met geladen geweren klaar. Iemand legde in de kamer naast hem een huilende baby neer, als afleidingsmanoeuvre. Ze hoopten dat een van de jongens zou opstaan om die baby weg te halen, dan schieten ze hem gelijk neer. Op een gegeven moment stopte het huilen; de baby was overleden. En omdat de Afghanen hem met geladen geweren in de gaten hielden, kon hij niet anders dan de baby dood laten gaan.’’

Zijn er naast PTSS nog andere problemen waar veteranen tegenaan kunnen lopen?
‘’De burnpits die gezondheidsproblemen bij militairen tot gevolg hebben. Ik vind dat Defensie vrij traag is in het erkennen van gezondheidsproblemen bij hun eigen mensen. Maar er gaat meer mis, dat vind ik wel. Het grootste probleem is dat als je op uitzending bent, dat je dan niet alles kunt bijhouden. Je kunt niet alles in ordners documenteren. Defensie houdt dus onvoldoende bij waar mensen aan bloot worden gesteld. Neem Chroom-6: het is eigenlijk van de gekke dat het zo lang heeft geduurd voordat Defensie iets is gaan doen.’’

Zijn er buiten Defensie nog meer partijen die iets aan dit probleem kunnen doen?
‘’Wat je vaak ziet, is dat als het probleem groter wordt, dat er ineens heel veel organisaties ontstaan.’’

Dan wordt het bureaucratisch?
‘’Nou, niet per se. Het moeilijkste zijn de jongens die eigenlijk ‘niet bestaan’. Als iemand in een systeem zit, is het makkelijk om hem te vinden. Maar degenen die die hulp kneiterhard nodig hebben, zijn nergens meer te vinden. De jongens die vanwege hun problemen op straat leefden bijvoorbeeld. Kijk, een militair leert zelfstandig te zijn. Je moet zelf je zaakjes op orde hebben en zelfredzaam zijn. En vanuit dat uitgangspunt is de zorg nadien nog steeds ingesteld. Als jij niet piept, gaat niemand voor je piepen. Ik denk dat dat het grootste probleem is. Als een schoolbus een ongeluk krijgt, kun je de kinderen die huilen even laten voor wat ze zijn. Ga eerst maar eens kijken wie er niet huilt. Zo moet dat ook bij militairen.’’

Willen ze uit bescheidenheid zelf niet erkennen wat ze meegemaakt hebben?
‘’Ja, dat. Militairen zijn hulpmijders. Mensen met PTSS staan erom bekend dat ze juist geen hulp willen. En beleidsmatig is dat ook zo lastig. Ik heb ook best begrip voor Defensie, het is niet makkelijk om die mensen te vinden. Je moet ook niet vergeten dat veel militairen gewoon niks meer met Defensie te maken willen hebben.’’

Moet Defensie dan standaard voor iedere militair hulp aanbieden?
‘’Wat er misgaat, komt voor Defensie qua framing natuurlijk niet uit. Uiteindelijk moeten er militairen geworven worden en als je dan negatief gaat voorlichten, is dat slechte reclame. Als je militairen een oorlog in stuurt, gaat Defensie ze natuurlijk niet vertellen wat er allemaal fout kan gaan. Je laat ze geen foto’s van schotwonden zien, zo van: ‘Kijk, dit gebeurt er als je op een bermbom rijdt.’ Maar het is écht nodig om mensen daarop voor te bereiden. Zeker voor het gezondheidsaspect.’’

Wat gaat er wel goed?
‘’Oh, er gaat ook heel veel wél goed. Ik zie natuurlijk alleen maar mensen met wie het niet goed gaat. Sinds ik begonnen ben met PTSS merk ik dat er echt wel voortgang wordt geboekt: het probleem wordt nu serieuzer genomen. Ik mocht in de Tweede Kamer iets zeggen over het protocol dat niet goed is. Ze hebben er in de politiek echt wat mee gedaan.’’

Hoe reageert de politiek over het algemeen op deze kwestie?
‘’Ik ben een van de weinigen die in Den Haag aandacht vraagt voor dit probleem. Sadet Karabulut (SP) en Isabelle Diks (GroenLinks) gaan er bijvoorbeeld heel serieus mee om. Maar het is wel partijneutraal. Je kunt er niet over discussiëren of een veteraan hulp nodig heeft of niet, het gaat om wat we eraan kunnen doen. De politiek reageert er positief op, daar ben ik blij mee, en daardoor pakt Defensie het ook beter aan. De dialoog is er in elk geval!’’

 

Dit is het tweede deel van een drieluik artikelen over levenslust na oorlog. In het vorige deel vertelde veteraan Charles (95) over zijn ervaringen met oorlog. Morgen verschijnt het laatste artikel.