Ambulancemedewerkster Jeanine reanimeerde haar eigen zoon (4)

 

Als ambulancemedewerkster redt Jeanine Wienhoven (52) dagelijks levens. Maar op de dag dat ze haar eigen zoon van de verdrinkingsdood moest redden, had niets of niemand haar ooit kunnen voorbereiden.

Wat is de mooiste gebeurtenis die u heeft meegemaakt op de ambulance?

‘‘Het zijn vooral de kleine dingetjes, zoals het contact met de patiënt. Of het gevoel dat als je binnen komt, iedereen in paniek is en je er juist dan voor kan zorgen dat het rustig wordt. Men luistert naar je en je krijgt de kans om alles op een rijtje te zetten. Een gebeurtenis die mij heel erg is bijgebleven is dat we een mevrouw gingen vervoeren die net was gereanimeerd, ze had een hartstilstand gehad. Deze mevrouw had wel al een eigen ademhaling maar was er mentaal nog totaal niet bij, ik heb mijn hand de hele rit op haar hoofd gehouden. Een paar dagen later had ik een gesprek met deze mevrouw. Ze vertelde mij dat ze zich nog kon herinneren dat ik dat had gedaan. Dit zijn wel echt de dingetjes waar ik mijn energie uithaal.’’

Wat is de meest heftige gebeurtenis die u heeft meegemaakt?

‘‘Privé is dat voor mij natuurlijk het ongeluk van mijn zoon Bas. En werkgerelateerd is het denk ik het moment dat ik net alleen op de auto zat en een jonge meid trof die met een hoge snelheid tegen een muur was aangereden. Ik was bezig om haar uit de auto te krijgen maar er was zoveel kapot in haar gezicht dat ik bang was dat alles weg zou zakken. Ik heb toen gevraagd om een medisch mobiel team, dit omdat haar gezicht compleet zou invallen als ik haar zou verplaatsen. Ze zou dan geen adem meer kunnen halen. Ik heb deze extra hulp niet gekregen en dan voel je je zo alleen. Het feit dat je hulp nodig hebt en je die hulp niet krijgt vond ik echt heel heftig. Uiteindelijk heeft het meisje het gelukkig gered, er is na een tijdje een ander versterkingsteam gekomen om te helpen.’’

Hoe gebeurde het ongeluk van Bas precies?

‘‘We waren met vrienden bij een privé zwembad. In totaal waren er 5 kinderen en 6 volwassenen. De kindjes hadden zwemvestjes aan, ze waren aan het spelen in het zwembad. Ik hoorde het rollenspel van de spelende kinderen achter mij, terwijl ik op een luchtbedje op het water lag te dobberen. Ineens voelde ik een soort van waarschuwing door middel van een mannelijke aanwezigheid aan mijn linkerkant. Deze aanwezigheid voelde alleen ik, het was iets in mijn hoofd. Ik zag een beeld van Bas liggend in een foetushouding, ik wist dat het Bas betrof en dat er heel groot gevaar was. Toen ben ik overeind geschoten en heb ik gevraagd: Waar is Bas? Iedereen begon rond te kijken en mijn man sprong ineens naast mij het water in. Op dat moment dacht ik alleen maar ‘Nee dit kan niet’. Mijn gedachten wilden dit niet accepteren.
Ik ben uit het zwembad gegaan terwijl mijn man boven kwam met Bas, hij legde hem op de rand van het zwembad neer. Bas was krijtwit, hij was dood. Ik begon hem meteen te reanimeren.
In de tussentijd was ik bezig met het geven van taken aan iedereen. Bel 112, zeg dat het om een kind gaat, de poort moet open. Ik zag al mijn ambulancematerialen voor me maar ik had helemaal niks. In mijn verbeelding heeft Gijs, het oudste broertje van Bas, de hele tijd naast mij gestaan en tegen mij geschreeuwd ‘Bas gaat dood, Bas gaat dood!’ Mijn man Jan, heeft ervoor gezorgd dat alle kinderen en zelfs oma die een acute astma aanval kreeg naar binnen gingen.
Terwijl ik aan het reanimeren was hoorde ik de ambulance aankomen. Ineens werden mijn handen heel koud, ik zag voor me hoe wij onze eigen zoon moesten gaan begraven. Op dat moment heb ik heel hard geschreeuwd dat ik dat niet wilde, dat het niet mocht gebeuren en dat we hem nodig hadden. Ik zei tegen mijn man dat ik aanvoelde dat Bas aan het wegvallen was. Ik dacht alleen maar: nu gaat het echt fout. Maar toen werden mijn handen heel warm en begon Bas te hoesten. Er kwam alleen maar water uit. Het eerste wat ik toen dacht was dat we hier onmiddellijk weg moesten. De ambulance kwam aan en mijn collega’s kwamen binnen, toen ze mij met mijn zoon zagen ontstond er een soort van masker op hun gezicht. Mijn collega is bij Bas gaan kijken en heeft mij enigszins rustig gekregen. Hij vertelde mij dat Bas zelf kon ademhalen en dat we naar het ziekenhuis zouden gaan.’’

Hoe ging het verder in het ziekenhuis?

‘’Inmiddels aangekomen in het ziekenhuis reageerde Bas nergens op en was er een gevaar dat hij opnieuw kon verdrinken in zijn eigen longen door het chloorwater. Er is toen besloten om elk uur te kijken hoe het met Bas zou gaan. Er kwam eigenlijk geen reactie vanuit de kant van Bas, hij heeft één keer auw geschreeuwd toen hij werd geprikt. Daarna was het weer stil voor uren. Ik had heel veel angst over het feit dat we Bas nog een keer zouden kunnen verliezen en heb tot drie uur s ’nachts aan zijn bedje gezeten totdat een collega zei dat ik een paar uurtjes rust moest nemen. Rond zes uur in de ochtend werden Jan en ik wakker gemaakt door een collega en zij vertelde ons dat onze zoon wakker was. We kwamen binnen op zijn kamer en hij zat rustig om zich heen te kijken en te spelen met een olifantje dat hij had gekregen. Ik nam Bas op schoot en we werden samen naar de kinderafdeling gebracht. Toen kwam de familie en was er natuurlijk veel emotie. Bas zag dit en vroeg toen aan mij waarom wij eigenlijk de hele tijd moesten huilen? Ik vertelde hem dat we heel erg geschrokken waren van alles en dat we blij waren dat hij ons weer antwoord gaf. Bas keek mij toen aan en zei: ‘Maar mama het is daar zo mooi, echt zo mooi, daar hoef je echt niet over te huilen.’’’

Heeft deze gebeurtenis veel impact gehad op u en uw gezin?

‘‘Ja het heeft veel impact gehad omdat wij er alle vijf een trauma aan over hebben gehouden. Bas weet er zelf niet heel veel meer van, maar zijn broers Paul en Gijs hebben het heel bewust meegemaakt. Paul heeft ons na het ongeluk verteld dat hij had gezien dat Bas zijn zwemvestje had uit gedaan en het water in was gelopen. Toen hebben Jan en ik hem gelukkig goed uit kunnen leggen dat het ongeluk niet zijn schuld was, door met hem te praten kwamen we al heel ver. Gijs deed eigenlijk heel stoer, maar na een tijdje kon hij niet meer slapen. Daar hebben we hulp voor gekregen vanuit het ziekenhuis, door middel van ontspanningsoefeningen. Jan en ik hebben ook geregeld gesprekken gehad, ik wist namelijk meteen dat dit niet zomaar iets was en dat we hier veel over moesten praten.
Dus ja, het blijft, het hoort bij ons als gezin en dat raken we niet meer kwijt. Het ongeluk heeft ons er van bewust gemaakt dat het echt zomaar over kan zijn.’’

Heeft het ongeluk impact gehad op uw werk?

‘‘Nou ja, het moest natuurlijk zo zijn. Ik was nog geen twee weken aan het werk na het ongeluk van Bas en ik kreeg een kinderreanimatie. Ik wist dat ik daar naartoe ging en ik had nee kunnen zeggen. Toch hebben mijn collega en ik elkaar aangekeken, ze vroeg aan mij: wil je dit wel? Ik zei: ja we gaan het doen. En juist dit heeft mij heel erg geholpen. Het gaf mij zekerheid, omdat ik wist dat ik nog kon handelen in welke situatie dan ook. Ik bleef meer last hebben van incidenten met kinderen dan een gemiddelde ambulancemedewerker, en dat is ook iets wat mij nooit meer heeft losgelaten.’’

12 procent van de ambulancemedewerkers krijgen last van een posttraumatische stressstoornis, heeft u hier ook last van gehad?

‘‘Ja, na het ongeluk met Bas heb ik dat zelf gehad. Ik heb drie maanden lang compleet apathisch op de bank gezeten, ik kon alleen nog maar bezig zijn met het in de gaten houden van mijn kinderen. Telkens als ik een ambulance hoorde moest ik overgeven. Als ik boodschappen ging doen kon ik niet meer nadenken. Ik heb zelfs wel eens een kar met boodschappen laten staan in de winkel doordat ik in paniek raakte door de drukte. Uiteindelijk is dit natuurlijk minder geworden. Ik leerde langzaam hoe ik er mee om moest gaan.’’