De falende overwinning van het Esperanto

Susomoinhos CC BY-SA 4.0

De Esperantovlag wappert nog fier in de voorwaarts strevende wind

‘Bankroto’ dreigt voor de Esperanto-beweging, zo kopte de trouw in 2019. Hoe gaat het nu met deze taal? Eind negentiende eeuw bedacht om iedereen in de wereld op gelijke voet met elkaar te laten communiceren. Het ledenaantal is al decennia constant en door de opkomst van het Engels lijkt de brugfunctie van deze kunsttaal overbodig geworden. Bert de Wit en Ward de Kock, allebei actieve Esperantisten, kijken terug – en vooruit.

Nog geen procent van de Esperantisten heeft deze taal van huis uit geleerd. Bijna iedereen in deze beweging heeft er dus zelf voor gekozen de taal te gaan leren. De meesten hebben door zo hun eigen redenen voor. Ward ziet een gevaar in de invloed die het Engels heeft op cultuur en politiek. “Hoe gaan we nu het probleem aanvliegen van van een soort taalimperialisme? Vandaar dat ik Esperanto ben gaan leren.” Andere Esperantisten houden van het puzzelen met taal, maar weer anderen komen graag in contact met verschillende mensen via een neutrale taal. Bert: “Er zijn mensen die meer de idealistische kant bekijken. Hetzij vanuit een politiek kader, hetzij dat ze graag met andere mensen communiceren op basis van een neutrale taal. Op een manier dat je niet gedwongen bent om via het culturele kader van een bepaald volk of een bepaalde taalgroep met anderen te communiceren.”

Het Esperanto functioneert als een ‘neutrale’ brugtaal. Het is echter wel ontstaan uit verschillende Europese talen, en krijgt dan ook vaak de kritiek behoorlijk eurocentrisch te zijn. Ward: “Ik denk dat het een goede taal is, zeker voor Europeanen. Tegelijkertijd vraag ik mij ook wel eens af, als het gaat over taalimperialisme dan heeft Europa ook wel een erfgoed.” “Ik denk dat Esperanto heel veel hele mooie mogelijkheden bied. Tegelijkertijd luister ik ook als er een grote groep Afrikaanse mensen zeggen van: ‘wij hebben eigenlijk een beter idee.’ Dan ben ik ook benieuwd en hou ik mijn oren open.” Veel woorden in het Esperanto zijn dan wel afgeleid uit Europese talen, maar benadrukt wordt dat dit voor de grammatica niet zo is. Veel Aziatische talen hebben bijvoorbeeld eenzelfde – Esperantistisch – systeem van woordvorming, welke in Europa weinig voorkomt.

Door dit internationalistische karakter heeft de taal veel te leiden gehad onder nationalistische gevoelens. Ward: “In vooral de nationalistische dictaturen was Esperantist zijn een teken van ontrouw naar de staat toe. Vanaf de jaren dertig, wanneer Stalin ook een nationalistische politiek ging voeren geldt dat ook voor Sovjet Rusland. Het [Esperanto] is in dictaturen snel verdacht makend.”
Bert: “Ik heb nog meegemaakt dat je naar bepaalde landen tijdschriften in enveloppen verstuurde om het een beetje meer kans te geven dat het niet door de censuur zou worden onderschept. Dat waren Spanje en Portugal onder de fascistische regimes, maar ook bijvoorbeeld Tsjecho-Slowakije of Rusland. In de jaren zeventig was dat.”

Deze vormen van censuur hebben de Esperantobeweging geen goed gedaan. Het is dan ook nooit een wereldwijde brugtaal geworden. In 2019 kwam naar boven dat voor de Wereld-Esperantovereniging (UEA) door grote financiële problemen een faillissement dreigde. Ward nuanceert dit beeld: “De EAU staat los van alle landelijke organisaties en allerlei andere organisaties. En het staat natuurlijk los van ‘de beweging’, dat is niet één vereniging. Ik ben zelf persoonlijk niet eens lid van die organisatie [de UEA].”
“Het bericht dat het met die organisatie financieel niet zo goed ging was op dat moment heel dramatisch. Nu hebben ze een plan om dat op te gaan lossen.” Bert voegt eraan toe dat verschillende onderdelen van de UEA, zoals de verspreiding van boeken en het archief overgeheveld gaan worden naar andere, kleinere verenigingen. Het is wel de vraag wat je in de toekomst doet als vereniging en in hoeverre dat toekomstbestendig is.

De pandemie heeft onverwacht inzicht gegeven in deze toekomst. De mogelijkheid van digitale cursussen heeft Esperanto populairder gemaakt en biedt ook veel nieuwe mogelijkheden waar de verenigingen eerder nog niet aan hadden gedacht. Bert: “Ik denk dat er meer mensen Esperantocursussen zijn gaan volgen. Als ik het merk aan de nieuwe leden die erbij komen zijn die vaak via de virtuele Esperantocursussen gekomen. En als je kijkt naar de bijeenkomsten worden die niet meer lokaal maar internationaal gehouden. Afgelopen zondag was een bijeenkomst; daar zat een Pool bij, een Fransman, een Italiaan en Nederlanders. Vroeger was dat gewoon ondenkbaar tenzij je toevallig mensen op bezoek had.”

Over de vraag of de Esperantoverenigingen in 2050 nog bestaan zijn ze voorzichtig. Ward: “Ik ben historicus en als historicus doe je geen uitspraken over de toekomst. Maar serieuzer, eigenlijk alles wat we nu kennen bestond [dertig jaar geleden] nog niet, hoe kan ik dan ooit een uitspraak gaan doen over dertig jaar in de toekomst. We kunnen natuurlijk speculeren, Esperanto Nederland en haar voorgangers bestaan al sinds 1903. Ik denk dat die het nog wel langer vol kunnen houden. Misschien is dat wel in een andere vorm die wat meer is aangepast aan de veranderingen die nu al in gang zijn gezet. Bijvoorbeeld een Esperantoblaadje, ik vraag me af of er over dertig jaar nog heel veel blaadjes zijn. Misschien is het ook wel logisch dat zulke onderdelen van de vereniging een nieuwere, modernere – niet papieren – vorm krijgen.” De vereniging overleeft het wel, maar er moeten wel nieuwe vormen worden ontdekt. Bert sluit zich hierbij aan: “Het hoeft niet per se het woordje Esperanto te zijn, het kan best dat het dan een taalactiegroep is of zoiets.”