Van Hans naar Hanock

Door: Mayee Macco

NIJMEGEN – Hanock Raja Boean (61) is geboren in een barak in Elst als kind van Molukse ouders. “Ik voel mij geen Nederlander en geen Molukker. Ik ben wie ik ben: Hanock.” Hij is een rustige, vriendelijke man en heeft grote donkerbruine ogen die je priemend aankijken. Hanock voert zelden een gesprek over zijn leven, daar ziet hij geen aanleiding voor. “Bijna niemand vraagt waar ik vandaan kom en of ik er iets over wil vertellen, terwijl ik weldegelijk een verhaal en geschiedenis heb.”

Rond 1951 arriveerden zo’n 12.500 Molukkers in Nederland. Indonesië wilde destijds onafhankelijk worden van Nederland. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) kwam in een dilemma terecht: gingen ze voor Nederland of Indonesië. In dezelfde periode wilde de Molukken zich losmaken van Indonesië. Het gevolg was dat de KNIL-soldaten van Molukse afkomst in een spagaat terecht kwamen, want zij wisten zich geen raad. De Indonesiërs beschouwden de Molukkers als verraders. KNIL-militairen waren niet langer veilig in Indonesië en de Molukken. “De Nederlandse overheid besloot de KNIL-militairen tijdelijk op te vangen in kampen in Nederland. Kort na aankomst werden alle KNIL-militairen ontslagen, dat vind ik zo erg. Het was hier koud, iedereen was wit, de omgeving was anders en dan werd je daar bovenop ook nog eens ontslagen.” Hanocks vader, KNIL-soldaat, kwam terecht in Steenwijk en zijn moeder, dochter van een KNIL-soldaat, in Ochten. Ze ontmoetten elkaar in Elst, bij een overplaatsing van kamp.

Hanock is in Elst geboren, als tweede zoon, in een gezin met zes kinderen. Hij herinnert zich weinig van de tijd dat hij in het kamp woonde. “Wat mij wel altijd is bijgebleven, is dat wij gingen verhuizen vanuit een houten barak naar een stenen huis. Dat vonden we toch bijzonder.” Hanocks ouders wilden zich graag aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Hij begint te glunderen en zegt: “Mijn vader wilde echt het beste voor zijn gezin. Ik weet nog dat hij thuiskwam en zei: ‘wij hebben vanaf nu de Nederlandse nationaliteit’. Daarvoor waren we stateloos en konden we in principe geen kant op. Nu ik erop terug kijk, vind ik het zo mooi dat hij dat geregeld had.”

“Wat mij wel altijd is bijgebleven, is dat wij gingen verhuizen vanuit een houten barak naar een stenen huis.”

De meeste Molukse kinderen gingen naar een christelijke school. “Mijn vader koos voor een openbare school. Zo kwamen we ook in contact met andersdenkenden.” Hanock vond Nederlands erg moeilijk. “Thuis werd er alleen Maleis gesproken. Ik weet nog heel goed dat ik op de basisschool een pakje melk kreeg. Ik beet op het rietje en er kwam geen melk uit. Ik durfde niet naar de juf te gaan, want vragen wat ik verkeerd deed kon ik nog niet. Pas op de middelbare school begreep ik de Nederlands taal beter. Vanuit school waren er geen faciliteiten bij het leren van de taal, dat bestond in die tijd nog niet.” Hij moest het van zijn eigen wils- en doorzettingskracht hebben.

Ik durfde niet naar de juf te gaan, want vragen wat ik verkeerd deed kon ik nog niet.”

In de puberteit kreeg Hanock het besef dat ook hij weleens is gediscrimineerd om zijn huidskleur. “Dat was heel vervelend, maar je wist op een gegeven moment niet anders. Je was erop ingesteld.” Hij staart even voor zich uit en zegt dan: “Eigenlijk mag dat niet hè.” Hanock ging op kamers en begon na te denken over wie hij was. In die tijd had hij het erg moeilijk. “Ik was eenzaam en voelde me onder druk gezet door mijn ouders, zij wilden namelijk dat ik thuis bleef wonen. Ik ben blij dat ik op mezelf ben gegaan, want ik vind dat uitvliegen erbij hoort.” Zo ging Hanock zijn eigen weg.

Hanocks ouders noemden hem Hans, puur vanuit zijn vaders gedachtegang om zich aan te passen. “Ik vond de naam Hans maar raar. Qua uiterlijk ben ik een Molukker en dan werd ik Hans genoemd, dat past toch helemaal niet. Vanaf toen ben ik mijn doopnaam ‘Hanock’ gaan gebruiken. Thuis werd hier weinig aandacht aan besteed, maar ik heb het idee dat ze het wel goed en mooi vonden.” Hanock is een Bijbelse naam. Het is een verbastering van de profeet Henoch. “Weinig mensen heten zo en als ze al zo heten dan zijn het meestal Molukkers.”

In de Molukse cultuur ben je overal welkom, ongeacht of je familie bent van elkaar. “De Molukse cultuur is een groepscultuur. Alles wat de groep doet telt. Als je even afwijkt dan heb je een probleem met de groep en met jezelf.” De westerse maatschappij heeft, volgens Hanock, meer aandacht voor het individu. “Mijn vader is de rode draad in mijn leven. Ik heb het idee dat we erg op elkaar lijken. Wij zijn beide geen groepsdieren; we gaan onze eigen weg en willen het beste voor ons gezin. Van mijn vader heb ik geleerd om, ook als man, mee te doen in het huishouden. Hij was autoritair en sloeg ons weleens, maar daar zitten geen pijnpunten. Af en toe ben ik wel streng, maar slaan dat doe ik niet.”

“Mijn vader is de rode draad in mijn leven.”

Hanock is nog nooit in Indonesië geweest en heeft de keuze gemaakt om de Maleisische taal achter zich te laten. “Het is een stukje onzekerheid. Ik zou met open armen ontvangen worden door mijn familie daar. Echter heb ik van mijn broers en zussen begrepen dat ze veel van je vragen en dat ze denken dat je stinkend rijk bent, dat wil ik niet.”

Dat hij naar een openbare school is gegaan vindt Hanock achteraf gezien een slimme keuze. “Je kunt je wel blijven afreageren op de Nederlandse overheid, maar ik heb geleerd dat als je gefrustreerd bent je er iets mee moet. Je moet niet in frustratie blijven hangen. Vanuit mijn zijn denk ik heel westers, maar ik snap de frustratie wel. Mensen moeten geen verkeerd woord zeggen over ‘ons’, want als buitenstaander kun je het niet begrijpen.” Voor Hanock blijft de situatie ingewikkeld, maar hij is zich bewust van waar hij nu staat.

Hanock wil zichzelf liever niet in het hokje ‘Molukker’ of ‘Nederlander’ plaatsen. “Ik ben gewoon Hanock, een trots en tevreden mens.”