Door de tijd met kunstwerken en tekeningen

Door: Imke Caris

Gemeenten bezuinigen meestal snel op de Kunst- en cultuursector. Willebrord de Winter (78) is kunstenaar. Maar van bezuinigingen heeft hij op dit moment geen last. Hij is bezig met een project van vijf weken waarbij hij kinderen op een basisschool meeneemt door de geschiedenis met behulp van tekeningen en schilderijen.

 

De Winter heeft, voordat hij zijn kunstenaar carrière begon, eerst de opleiding als onderwijzer gedaan. Nadat hij met de opleiding klaar was en vier jaar gewerkt en gespaard te hebben, ging De Winter naar de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Hierna werkte hij als tekenleraar. De Winter schreef boeken waaronder een tekenmethode voor kinderen. En uiteindelijk werd hij de directeur van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Nu maakt De Winter schilderijen en beelden in zijn atelier in Kessel. Zijn atelier heeft veel ramen. Aan de muur hangen schilderijen die af zijn en schilderijen die volgens de Winter nog niet af zijn. Op tafel liggen beeldjes waar hij mee bezig is en voor een raam staan de klare bronzen beelden op een lage kast. Terwijl De Winter aan het werk is staat er klassieke muziek op.

 

De Winter wil ook nog altijd graag mensen betrekken bij de kunst. Graag geeft hij dus ook de kinderen les op de basisschool over kunstgeschiedenis.

“Ik vind dat het historisch besef eigenlijk nieuw is bij kinderen van 11 of 12 jaar. Met dit project ga ik proberen om te laten zien dat alles een geschiedenis heeft en dat alles in de tijd plaatsvindt, aan de hand van wat geschilderd is.

Ik begin bij de grottekeningen, dan ga ik een stapje verder en kom ik bij Egypte, daarna bij de Grieken en Romeinen en zo ga ik door. Allemaal eigenlijk in grote sprongen en van elke tijd maar één werkstuk. Ik laat ook dingen zien die de kinderen zich kunnen voorstellen, bijvoorbeeld Rembrandt die heeft zijn zoon Titus geschilderd terwijl die zit weg te dromen. Of bijvoorbeeld een andere situatie waarbij een kind boodschappen heeft gedaan zodat dat leerlingen zich ook kunnen identificeren. Zo vertel ik dus de geschiedenis.

Ik vertel over de dingen die veranderd worden maar ook verbeterd worden. Schilders schilderden vroeger namelijk alleen maar rijke mensen en opeens gingen ze ook de huishoudsters schilderen. Of niet meer koningskinderen maar kinderen die gewoon aan het spelen zijn. Daar vertel ik verhalen bij en mogen de kinderen ook vragen stellen. En dan denk ik: Ja, misschien kijken ze nu anders naar afbeeldingen.”

De kinderen vinden de lessen ook leuk. Volgens De Winter komt dat doordat hij actief bezig is met de kinderen door bijvoorbeeld vragen te stellen. Door vragen te stellen komen namelijk de verhalen van kinderen ook langzaam los.

“Ik vraag iets als: Hebben jullie thuis ook een schilderij hangen? Dan zie je de kinderen aarzelen en vertellen ze vervolgens dat ze een foto aan de muur hebben hangen. Daarop vraag ik: Maar wat staat er dan op die foto? En dan zeggen ze dat ze niet meer weten wat er op die foto staat. Dat functioneert amper.

Maar ditzelfde soort projectje zou je ook over een paar maanden kunnen doen maar dan met hele andere werkstukken. Dan zou ik ook kunnen vragen of de kinderen een geschiedenis van zichzelf kunnen maken met foto’s van toen ze klein waren en vertel er dan een klein verhaaltje bij. En dat is dus een vorm van wat ik vind van geschiedenis.”

 

De Winter heeft wel algemene kritiek op dit project. Het verbaast hem dat de kinderen zo weinig weten van wat je cultuur noemt en wat tijdsbesef is.

“Als ik vraag of ze een voorbeeld kunnen geven of hoe het thuis is, vinden de kinderen het erg moeilijk om daar antwoord op te geven. Het kan zijn dat ze niet zo graag tegen een vreemde man een verhaaltje vertellen, maar ik krijg het idee dat ze heel weinig weten.”

 

De Winter zou ook op andere basisscholen dit project willen doen. Maar daar heeft hij wel een paar voorwaarden voor. Hij zou graag vaker dan één keer in de klas komen om les te geven. Hij denkt namelijk niet dat er iets blijft hangen als hij de kinderen één uurtje wat vertelt. Ook zou De Winter de kinderen opdrachten willen geven voor de volgende keer dat ze elkaar zien.

“Ik moet ze wat mee kunnen geven, dus dat ik iets over een schilderij vertel maar niet alles vertel en ze dan de opdracht kan geven van we zien elkaar volgende week weer en vertel mij dan wat ik heb overgeslagen. Dan krijg je een heel ander soort omgang met die kinderen dan als je een keer per jaar wat komt vertellen.”

 

De Winter vindt zijn opleiding als onderwijzer niet de enigste reden dat hij nu deze lessen op de basisschool geeft.

“Dat ik nu deze lessen geef, komt ook wel deels doordat ik de opleiding als leraar heb gedaan. Maar toen ik in Amsterdam ben gaan studeren aan de Gerrit Rietveld Academie ben ik ook kunstgeschiedenis gaan studeren en dan wil je daar iets meedoen. Een andere reden dat ik lesgeef op de basisschool is dat ik het belangrijk vind dat je als kunstschilder geïnteresseerd blijft in je vak. Ik heb zoiets van ik kan iets vertellen maar ik blijf ook in contact met nu, met de vragen van nu. En ik vind het gewoon erg leuk om de kinderen les te geven.”

 

De Winter is, buiten dit project op de basisschool, ook nog druk bezig met beeldjes die volgens die planning in februari naar de bronsgieter moeten. Ook blijft hij bezig met schilderijen. Kortom De Winter blijft bezig met zijn kunst.

“Ze zeggen dat schrijvers en schilders en zo altijd bezig blijven. Ik kan het me ook niet voorstellen iets anders te doen. Moet ik dan een andere hobby kiezen? Wat moet ik dan doen? Boeken schrijven? Dat doe ik al. Schilderen? Dat is mijn lust en mijn leven.”