Volksmuziek in Hongarije: een rijke geschiedenis

Hongaarse volksmuziek is erg belangrijk voor de Hongaarse cultuur. Op het platteland werd het van generatie op generatie gezongen. Door de jaren heen zijn er ontzettend veel verschillende stijlen binnen de Hongaarse volksmuziek ontstaan. In dit artikel lees je over het ontstaan van de muziek, de verschillende stijlen, bekende namen binnen de volksmuziek en een paar van de instrumenten die veel bij de Hongaarse volksmuziek worden gebruikt.

Het ontstaan
Het Hongaarse volk kwam vanuit het oosten in Hongarije aan en bezette het land in de negende eeuw. Het ontstaan van Hongaarse volksmuziek gaat terug naar de periode daarvoor, toen de Hongaren op de grens tussen Europa en Azië leefden en direct contact hadden met de Aziaten. In Hongarije, dat centraal in Europa ligt, maakte de Hongaren kennis met het christendom en de Europese muziek. Dit heeft veel invloed gehad op de ontwikkeling van de Hongaarse muziek.

Zoltán Kodály en Béla Bartók, twee bekende Hongaarse componisten, beschreven de Hongaarse volksmuziek als de ongeschreven muziek die bleef bestaan op het platteland. Het wordt over het algemeen onderscheiden van de muziek die in de 19e eeuw werd gemaakt door amateuristische componisten uit de middenklasse, die ook ongeschreven verspreid werd.

Oude en nieuwe stijl
In de 19e en 20e eeuw begonnen mensen in te zien dat het belangrijk was om de Hongaarse volksmuziek op te schrijven en te verzamelen. Zoltán Kodály en Béla Bartok begonnen daarmee in de 20e eeuw, onder leiding van Béla Vikár. Béla Vikár was afgestudeerd in literatuur en taalkunde. Hij gebruikte een grammofoon om de liederen te verzamelen. Deze methode demonstreerde hij op het internationale muziekcongres in Parijs in 1900.

Bartók onderscheidde twee hoofdstijlen in de Hongaarse volksmuziek: de oude (klasse A) en de nieuwe (klasse B). De ‘oude stijl’ onderscheidt zich doordat het maar vijf tonen heeft en vaak hoog begint en laag eindigt.

Recent onderzoek laat zien dat er in Bartóks ‘oude stijl’ zelfs verschillende lagen kunnen worden onderscheiden. Daarnaast kan zestig procent van de gezongen liedjes die volgens Bartók tot de gemixte klasse (klasse C) behoorde, gerangschikt worden in vaststaande genres. Muzikant László Dobszay onderscheidt in zijn werk A magyar dal könyve (Een bloemlezing van Hongaarse liederen, 1984) ongeveer 17 stijlen Hongaarse liederen, inclusief kerkliederen die mondeling zijn doorgegeven.

De ‘oude stijl’ heeft overeenkomsten met Gregoriaanse muziek. De muziek uit West-Europa heeft vanaf de middeleeuwen ook invloed gehad op de Hongaarse volksmuziek, net als de muziek van de buurlanden: Tsjechië, Slowakije, Polen, Roemenië, Duitsland en de Zuidelijke Slaven.

De meerderheid van de meer recente Hongaarse volksliederen behoort tot Bartóks ‘nieuwe stijl’. Zo’n 800 soorten basis melodieën horen erbij. De voornaamste eigenschap van de stijl is de herhaaldelijke, gebogen melodische structuur. Aan het begin van de 20e eeuw waren Kodály en Bartók getuige van de bloei van de nieuwe stijl, vooral onder jonge dorpsbewoners. De wortels van de stijl gaan ver terug in de Europese en Hongaarse traditie.

Het filmpje is een voorbeeld van Hongaarse volksmuziek die onder de nieuwe stijl valt. Het lied wordt gespeeld door de Csík band.

Roma muziek
In het midden van de 19e eeuw kwamen er veel zigeuners naar Hongarije. Zij raakten steeds meer verbonden met de Hongaarse cultuur. Er ontstond een verdeling tussen drie Roma groepen: de Romungre, die instrumentale muziek spelen; de Vlach Gypsies, met een samensmelting van vocale tradities; en de Boyash, die sterkere invloeden hadden van de Roemeense cultuur, taal en muziek. Hieronder een voorbeeld van Hongaarse Roma muziek.

Instrumentale muziek
Traditionele instrumentale muziek werd vooral in dorpjes gebruikt om op te dansen. Het werd gespeeld door herders, boeren en ambachtslieden. In de 20e eeuw waren boeren bands populair in heel Hongarije. Het waren vooral bands met blaasinstrumenten, maar veel bands gebruikten ook de snaarinstrumenten van zigeunerbands. Professionele zigeuners vervingen de doedelzak, het traditionele dansinstrument van de eeuw, door de viool. De doedelzak werd alleen in Noord-Hongarije nog lang bespeeld. Hieronder een voorbeeld van drie instrumentale Hongaarse volksliederen.

Instrumenten
De makkelijkste en oudste instrumenten werden thuis gemaakt en vooral bespeeld door herders, zoals de fluit, de doedelzak, en de houten trompet. Arme boeren gebruikten de goedkoopste dingen om muziek mee te maken. Ze improviseerden bijvoorbeeld door op potten of meubels te slaan. Andere instrumenten die typisch zijn voor de Hongaarse volksmuziek zijn de hoorn, de tambura, de draailier, de citer en de cimbalom.

Recentere trends
In de vroege jaren 70 ontstond de ‘dance house’ beweging, die de Hongaarse volksmuziek nieuw leven in wilde blazen. De beweging kwam op toen jonge intellectuelen en artiesten zochten naar moderne Hongaarse manieren om zich te verzetten tegen de materialistische en individualistische ideologieën van de socio-economische veranderingen. De twee oprichters, Béla Halmos en Ferenc Sebó, waren ervaren muzikanten die experimenteerden met verschillende muziekstijlen. Amateuristische volksdansgroepen bleven ook populair onder de stadsbevolking. Het filmpje is een voorbeeld van muziek en dans uit de dance house beweging.